Elena

Hoofdstuk 1

“Vrouwe, bent u wakker?”
Elena heft haar hoofd en fronst haar voorhoofd. Ze kan er maar niet aan wennen dat ze niet meer “gewoon, Elena” is. Ze komt overeind vanuit haar ongemakkelijke houding. De laatste twee dagen had ze doorgebracht in een comfortabel rijtuig, maar als je twee dagen achtereen op hetzelfde bankje moet zitten, bestaat er in de hele wereld geen kussen dat nog fijn zit.
“Zijn we er?”, vraagt ze, terwijl ze probeert wat spieren te strekken in de betrekkelijk kleine ruimte.
Onderweg zijn er verschillende momenten geweest dat ze even waren gestopt dus deze keer was het niet eens tot haar doorgedrongen.
Aan de geluiden te horen worden de paarden inderdaad uitgespannen. Nu ze er op let, bereikt een golf van bedrijvigheid ook enigszins de binnenzijde van de koets. De dikke gordijnstof dempt verrassend veel geluid.
Het deurtje wordt geopend en een verlegen, bleek snoetje kijkt naar binnen. Elena glimlacht naar haar, Ellis is nog maar twee dagen haar kamermeisje. Aan haar manier van doen te merken is deze taak voor haar net zo nieuw als Elena’s nieuwe rol.
“We zijn bij de herberg gearriveerd, vrouwe”, deelt ze enigszins verontschuldigend mee, haar blik op de vloer gericht.
Elena zucht, ze had gehoopt dat ze deze nacht waren gearriveerd op haar bestemming.
“Dank je Ellis”
Ze probeert een glimlach op haar gezicht te houden, het meisje kan er ook niets aan doen.
Terwijl ze aanstalten maakt om uit de koets te stappen wordt haar een gehandschoende hand toegereikt. Bijna niet meer verbaasd over de perfecte timing van het hoofd van haar escorte neemt ze deze van harte aan. Uitstappen na uren op een schuddend bankje te hebben gezeten, steeds trachtend van houding te wisselen, is een bijna onmogelijke taak. Zeker als je ook nog eens probeert het met enige elegantie te doen.
Het lukt haar om in een vloeiende beweging uit te stappen en haar rug te rechten. Ze strijkt tevergeefs over wat kreukels in haar jurk en slaat een sjaal om haar schouders. Buiten de beschutting van de koets is het frisjes.
“Dank Haro, waar zijn we?” Ze blikt op naar de grote man in het zwart. Zelfs nu het licht van de herberg dichtbij is kan ze zijn ogen niet onderscheiden. Onder de kappen waren de gezichten van de 20 mannen van haar escorte onzichtbaar. Ze rilt terwijl ze zich het moment dat deze mannen aan kwamen rijden om haar op te halen weer helder voor zich ziet. Het onheilspellende gevoel dat haar toen bekroop kan ze ook nu nog niet van zich af zetten.
Ze heeft Haro in haar eigen vertrekken gezien zonder de mantel met kap, dus ze weet dat hij een scherpe blik in zijn donkere ogen heeft, borstelige wenkbrauwen en een krachtig gezicht. Ze had tot nu toe nog geen greintje humor of plezier in zijn gezicht kunnen ontdekken.
Ook nu kan ze zijn gezichtsuitdrukking niet zien en opnieuw vraagt ze zich af of Haro ook net zo lief ergens ander zou willen zijn als zij.
Zijn kalme diepe stem verraadt ook niets.
“We zijn niet in een dorp vrouwe. De herberg heet Het Gouden Zwijn en bevindt zich nog vier uur rijden van het kasteel.”
“Vier uur? Maar dat is toch niet zo ver? Waarom overnachten we hier? Het is nog niet eens helemaal donker.”
“Het spijt me Majesteit, we bevinden ons aan de rand van het Dromenwoud. Dat is geen plaats om in het donker te passeren.”
“Natuurlijk Haro, wat dom van me.” antwoordt Elena. Het Dromenwoud staat bekend als een onveilig gebied. Er gaan de wildste verhalen rond over dit woud. De laatste twee dagen is Elena verder van huis geweest dan voorheen en het idee om in onbekend gebied te worden overvallen lijkt haar ook geen pretje. Daarbij denkt ze nog niet eens aan wat het bos verder nog zou kunnen herbergen, volgens de verhalen die de huishoudster in haar ouderlijk huis graag vertelt.
Even bekruipt haar een warm gevoel terwijl ze aan Anne denkt. De kleine gedrongen vrouw die ze haar hele leven al kende, en vertrouwde.
Anne zwaaide de scepter over het huishouden en deed dat met veel verve. Er ontging haar niets en ze tolereerde geen luiheid of oneerlijkheid onder de overige personeelsleden. Maar naast haar strenge, voortvarende kant had ze een hart van goud. Ze was als een soort tante voor Elena. Voor zover dat mogelijk was natuurlijk, voor iemand van het personeel. Het afscheid van Anne was het zwaarst geweest van allemaal. In eerste instantie was ze Elena’s kindermeisje geweest, Elena’s moeder was gestorven toen ze twee jaar oud was, ze kan zich haar moeder niet meer herinneren. Anne had zich ontpopt tot een kokkin die in de wijde omtrek geroemd werd om haar kookkunst en daarnaast organiseert ze met gemak een feest of bal alsof het alleen een eenvoudig ontbijt betreft. Ze had Elena veel dingen geleerd die een dochter van een edelman behoort te weten en te kunnen en minstens net zo veel andere zaken.
Niet alles dat ze Elena bijbracht was praktisch of nuttig. Anne hield erg van epische heldendichten, sagen en legenden. Zonder één hapering kon ze wel twee uur achtereen verhalen vertellen. Deze vaardigheid was minder wijds bekend, maar binnen de muren van het grote huis enorm geliefd.
De verhalen over het Dromenwoud probeert Elena naar een achterkamertje van haar geheugen te verbannen, ze wil toch nog graag van haar nachtrust kunnen genieten zonder na te hoeven denken over wat haar een eindje verderop eventueel te wachten zou kunnen staan.
Haro begeleidt haar naar de deur van de herberg en opent deze voor haar. Een gezellige gloed straalt uit de ramen en door de deuropening. Binnen blijkt het behaaglijk warm en ruikt het verrukkelijk naar eten.
De herbergier schiet achter de toog vandaan om haar te begroeten. Hij maakt een belachelijk diepe buiging terwijl hij zijn handen zenuwachtig aan een vuile doek afveegt.
“Welkom in Het Gouden Zwijn vrouwe, de naam is Janus, tot uw dienst.”
Ze geeft hem een kort knikje en een glimlach. “Dank u, heer. Het is een genoegen de warmte te voelen van uw haard en als uw eten net zo smaakt als dat het ruikt, ben ik erg blij hier te zijn.”
Nogmaals buigt de waard als een knipmes. “Dat doet mij deugd Majesteit, laat mij u de beste tafel van het huis wijzen.”
Haro heeft inmiddels de kap van zijn hoofd gedaan en onder zijn strenge blik ziet Elena de waard inkrimpen. Hij maakt bijna aanstalten om hen kruipend voor te gaan.
Heel even denkt Elena een spottend glimlachje op Haro’s gezicht te zien maar ze is er niet zeker van.
In plaats van naar de grote stamtafel midden voor de haard leidt Janus hen naar een bijna onopvallende tafel in de hoek. Is dit de beste tafel van het huis? Elena kijkt Haro aan. Terwijl ze gaat zitten beantwoordt Haro haar vragende blik met een zacht gemompel.
“Beter zicht op de deur, vrouwe”
Ze knikt, natuurlijk. Haro had dit waarschijnlijk al met de waard besproken. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij de arme man niet veel keuze gelaten. Zijn indringende blik is vast voldoende geweest.
Ellis neemt naast haar plaats, Haro tegenover haar. Hij kijkt oplettend door de zaak. Elena ziet zijn ogen van links naar rechts schieten.
“Is er iets mis? Waarom heb ik het gevoel elk moment op te moeten springen?”, vraagt ze hem zachtjes.
Hij kijkt haar even verschrikt aan maar herstelt zich onmiddellijk.
“Het spijt me vrouwe, het is niet mijn bedoeling u angst aan te jagen. Zo dicht bij het Dromenwoud wil ik geen enkel risico nemen, maar tot nu toe is er geen reden tot ongerustheid.”
“De weken voor ons vertrek om u te escorteren naar het kasteel werden er meer en meer gevallen gemeld van overvallen rond het woud. Ik wil zien wie er binnenkomt met het gespuis dat zich misschien ook hier ophoudt.”
“Nou, ik kan niet zeggen dat je erg geruststellend klinkt, maar ik ben blij dat je zo oplettend bent.”
Ze wil juist nog meer vragen over het Dromenwoud maar een spichtige jongen met dun, blond, piekerig haar brent haar een kom dampende stoofpot.
Hij wordt gevolgd door een hyperactieve Janus, met brood en kaas. Je kan aan zijn zwetende hoofd zien dat hij alles uit de kast trekt om dit gezelschap op hun wenken te bedienen.
In een oogwenk staat ook voor de anderen eenzelfde dampende kom op tafel.
“Wist de waard dat we hier zouden overnachten?”, vraagt ze Haro zodra de bediening is verdwenen.
“Nee, ik had gehoopt dit punt al gepasseerd te zijn, en deze maaltijd op het kasteel te kunnen nuttigen”
“Anders ik wel”, mompelt ze.
“U zult uw toekomstige echtgenoot spoedig zien, het spijt me dat we niet door kunnen reizen.”
Elena verslikt zich bijna in haar hap brood. Ze heeft helemaal geen haast om haar toekomstige echtgenoot te zien. Wat haar betreft hoeft deze hele reis helemaal niet plaats te vinden. Ze had het prima naar haar zin in haar ouderlijk huis en helemaal nog niet te behoefte om te trouwen.
Even schiet het moment door haar hoofd waarop haar vader aankondigde dat hij een echtgenoot voor haar had gevonden.
Ze was verbijsterd geweest. Minutenlang had ze hem met open mond aangestaard. Er was geen enkel woord in haar opgekomen waarmee ze een passend antwoord zou kunnen geven of omschrijven hoe ze zich voelde.
Hoewel ze uit een respectabele adellijke familie stamt had ze nooit stilgestaan bij een gearrangeerd huwelijk.
Toegegeven, ook haar ouders hadden elkaar nog nooit ontmoet voor de huwelijksplechtigheid en haar grootouders evenmin. Maar ergens had ze gehoopt dat deze gewoonte bij haar zou eindigen. Niet zozeer omdat ze zelf iemand had gekozen, maar omdat ze in de bedienden en gezinnen om het grote huis niet één gearrangeerd huwelijk had meegemaakt. Ze had in haar leven simpelweg nog nooit direct te maken gehad met dit soort adellijke gebruiken.
Haar vader had zeer uitgebreid uiteengezet waarom hij tot zijn beslissing was gekomen en hoe veel geluk ze had met deze aanstaande echtgenoot.
Het was vooral een heel ingewikkeld verhaal over oude bloedbanden, familiebetrekkingen, allianties en nog veel meer bijkomstigheden.
Als adellijke dochter was Elena aardig op de hoogte van de betrekkingen tussen verschillende families. Dat had deel uitgemaakt van urenlange saaie scholing. Toch was de uitkomst van haar vaders onderhandeling op zijn minst schokkend.
Hij was eerst niet heel duidelijk geweest met wie ze nu precies diende te trouwen. Hij had de koninklijke familie genoemd en toen had ze de grond onder haar voeten voelen wegzakken.
Ze zou de vierde vrouw worden van de Koning? Een, voor haar, veel oudere en eigenzinnige man, die volgens de verhalen elke vrouw in zijn hofhouding in zijn bed uitnodigde? Ze was wit weggetrokken. Haar vader was boos geworden bij het zien van haar geschokte blik en had haar toegebeten dat ze geen betere partij kon krijgen dan Alben Ruben Eduard Valckenhoof.
Onmiddellijk had ze zich moeten verontschuldigen. Alben was de jongste broer van de koning. En hoewel ze ook hem nooit zou hebben uitgekozen om mee te trouwen, kon ze geen reden verzinnen waarom een huwelijk met deze man niet door zou kunnen gaan.
Hij was slechts vijf jaar ouder dan zij, woonde niet aan het hof en ze had nog geen verontrustende verhalen over hem gehoord. Ze had hem zelfs al eens gezien, jaren geleden. Hij was toen een jaar of veertien en had deel uitgemaakt van het gevolg van graaf Vlijmen. Voor zover Elena zich kon herinneren was het een hele onopvallende en welgemanierde jongen.
Waarom zij een geschikte partij voor hem zou zijn is haar nog steeds een raadsel, ondanks het ellenlange verhaal van haar vader.

Elena opent haar ogen. Het is pikdonker en even weet ze niet waar ze is. Onverklaarbaar klaarwakker probeert ze te achterhalen waardoor ze is gewekt. Ze herinnert zich vaag een vreemd geluid. Turend in het donker probeert ze iets te zien. Het was overduidelijk nog geen ochtend.
Doodstil houdt ze haar adem in. Ze hoort een zachte ademhaling niet ver van haar vandaan. Heel rustig en regelmatig. Dat moet Ellis zijn, zo te horen in diepe slaap. Zij is dus niet de oorzaak. Ze ligt gelukkig met haar gezicht op de deur gericht zodat ze zonder te draaien een eventuele beweging wellicht zou kunnen onderscheiden.
Zachtjes haalt ze toch adem. Misschien heeft ze het zich verbeeldt. Hoewel ze nog geen hand voor ogen ziet heeft ze niet het gevoel dat er een vreemd iets, of iemand, in de kamer is.
Plotseling voelt ze iets op haar been. Ze slaakt een gil en zit in één beweging in de hoek van het bed. Ze hoort nog iets op de grond en alsof ze er op hebben gerepeteerd, staan zowel Ellis als Haro naast haar bed, de laatste met een zwaard in zijn hand.
“Vrouwe, is alles goed?”, vraagt Ellis. Haro staat in een verdedigende positie voor haar bed terwijl hij probeert alle hoeken van haar kamer te bekijken. De nu openstaande deur naar de hal laat een klein beetje licht binnen.
“Ik werd wakker van een geluid en toen voelde ik iets aan mijn been.”, fluistert Elena. Ze trilt nog van schrik en vertrouwt haar stem nog niet voldoende om hardop te spreken.
Haro kijkt Ellis vragend aan. Ze schudt haar hoofd en verlegen stottert ze: “Ik heb niets gezien heer, of gehoord. Vrouwe Elena’s gil heeft me gewekt.”
Een tweede lid van haar escorte komt binnen stormen met een toorts en geheven zwaard. Bij het licht van de toorts ziet Elena ineens de oorzaak van haar paniek. In de hoek, half verscholen tussen een kist en de kleine haard zit een kat. Hij tuurt met grote schrikogen naar het viertal.
“Daar!”, roept Elena. In een vloeiende beweging draait Haro zich om en ze ziet zijn zwaard razendsnel naar beneden flitsen. De kat trekt zich van schrik verder terug in het kleine hoekje. Haro die een aanvaller verwachtte die achter de deur tevoorschijn was gesprongen kijkt nog ietwat verbijsterd in het rond. “Een kat?”
Hij beent naar de hoek om beter te kijken wat daar precies achter de kist verscholen gaat.
Inmiddels staat ook de waard, in een lang slaaphemd, in de deuropening. In één hand een knuppel en in de andere een lantaarn.
“Alles in orde?”, piept hij, terwijl hij voorzichtig zijn hoofd naar binnen steekt.
“Ja, alles in orde, dank u”, antwoordt Elena, terwijl ze zich ineens bewust wordt van haar eigen nachthemd en snel een deken om zich heen trekt.
Ellis laat zich met een zucht op de rand van het bed zakken. “Dat is schrikken zeg.”
De tweede soldaat laat ook langzaam zijn zwaard zakken.
“Waard, bereid een snel ontbijt, we vertrekken.”, deelt Haro hem mee terwijl hij naar de deur stapt.
De man kan blijkbaar nog verbaasder kijken, zijn mond valt open. “Mijn heer?”
Terwijl Haro zijn zwaard terugsteekt in de schede doet hij een stap naar voren zodat de man naar hem op moet kijken.
“Ik wek mijn mannen. Tegen de tijd dat we het ontbijt hebben gehad en de paarden hebben ingespannen is het licht. We vertrekken.”
Elena kijkt hem stomverbaasd aan. De nog steeds open mond starende waard buigt en haast zich door de gang.
De tweede soldaat knikt naar hem en zegt: “Ik zal de mannen wekken, heer”.
“Gaan we midden in de nacht ontbijten omdat er een kat op mijn kamer zit?”, vraagt ze op verbaasde toon.
Het betreffende dier ziet zijn kans schoon zodra de waard en de soldaat zijn pad door de deur niet meer versperren en zet het op een lopen.
Langzaam draait Haro zich naar haar om.
“Het raam was gesloten, ik zat voor uw deur en die kat zat nog niet in uw kamer toen u ging slapen. Ik heb uw kamer hoogstpersoonlijk gecontroleerd. Het is misschien een uur voor dageraad. We vertrekken.”
Zonder verder enige uitleg stapt hij haar kamer uit.
Verbaasd kijkt Elena Ellis aan. Ook zij is nog met stomheid geslagen.
Het is waar, die kat was er gisteravond nog niet geweest. En hoe het beest dat kans heeft gezien in de kamer te komen is inderdaad een beetje vreemd. Maar om daar nu zo’n punt van te maken, dat vindt ze toch wat overdreven.
Terwijl ze de situatie nog eens overdenkt ziet ze Ellis al druk aan het rommelen tussen haar reisspullen.
“Ellis, doe maar rustig aan hoor, dat ontbijt is vast nog lang niet klaar.”
De blik die Ellis haar toewerpt laat haar schrikken. De paniek is duidelijk op het gezicht van haar kamermeisje te zien.
“Het was maar een kat”, probeert Elena haar gerust te stellen.
“Het was een drobo vrouwe. Dat kan niet anders.”
“Een drobo? Dat zijn sprookjes. Je moet je niet zomaar bang laten maken Ellis.” antwoordt Elena.
Elena kent veel verhalen over drobo’s. Gedaantewisselaars, de meest ongrijpbare creaturen. Ze komen voor in een paar favoriete verhalen van Anne. En wat Elena betrof blijven ze daar ook, gewoon in de verhalen.
Ze besluit er verder geen woorden aan vuil te maken. Als Ellis wilde geloven in sprookjesfiguren moet ze het zelf maar weten.
Ondertussen heeft ze een schitterend gewaad uit de reisspullen gehaald. Meteen wordt Elena teruggeroepen in de realiteit. Vandaag zal ze aankomen in het kasteel. Over enkele uren al.
Ja, ze moest zich passend kleden, gezien het tempo dat ze de laatste dagen hadden aangehouden verwacht ze niet nog een tussenstop om zich op te frissen en om te kleden. Helemaal niet nu Haro blijkbaar nog meer haast heeft om verder te reizen.
Ze zucht terwijl er allerlei scenario’s door haar hoofd gaan. Hoe zal ze ontvangen worden? Stilletjes, onaangekondigd door de poort rijden? Of met alle bewoners van het kasteel die nieuwsgierig komen kijken naar hun nieuwe vrouwe?
Juist terwijl Ellis haar ingesnoerde lijfje dichtknoopt wordt er op de deur geklopt. Door alle consternatie van zonet, en de spanning voor wat er die dag gaat komen, stonden Elena’s zintuigen op scherp. Ze maakt een sprongetje van schrik.
“Vrouwe, de mannen zijn klaar met het ontbijt en gaan de paarden inspannen. Bent u ook zo ver?”, hoort ze Haro zeggen aan de andere kant van de deur.
“Ja, we zijn zover Haro, we komen er aan.”, antwoordt Elena, de protesten van Ellis over haar nog niet gekapte haar negerend.
“Ik ga toezien op het inspannen en afrekenen met de waard, er staat een lijfwacht voor uw deur om u te escorteren.”
“Kom Ellis, ik ga geen uren een sluier dragen, neem die maar mee voor het laatste stukje van de reis.”
Beneden staat een eenvoudig ontbijt klaar. Het is het een bedrijvigheid van jewelste. Met haar escorte en nog een aantal ogen die haar nauwlettend in de gaten houden voelt Elena zich allesbehalve op haar gemak.
Ze draagt Ellis op een deel van het ontbijt mee te nemen voor onderweg, ze krijgt nu toch bijna geen hap door haar keel.
Zonder verder iets te zeggen staat ze op en loopt met een grimmige blik naar buiten.
Haro staat een wiel van de koets te controleren en ze beent, voor zover dat gaat in een zware jurk, op hem af.
Hij staat op en geeft haar een kleine buiging. “Vrouwe. Het spijt me dat we nu wat haastig moeten vertrekken.”
“Ik waardeer je bezorgdheid Haro, maar denk je werkelijk dat er hier sprake is van een reden om haast te maken?”
Het kost haar moeite om niet onredelijk of boos te klinken.
Nauwlettend kijkt ze naar zijn gezicht. Hij had nog niet de moeite genomen zich te verstoppen onder zijn kap maar hij vertrekt geen spier.
“Heer Valckenhoof heeft mij de taak toevertrouwd u heelhuids naar hem toe te brengen, ik neem geen enkel risico.”
“Dat begrijp ik, maar drobo’s? Dat kun je toch niet menen?”
Ze had verwacht dat hij geamuseerd zou zijn en ontkennen dat deze figuren uit sagen werkelijk bestaan. In plaats daarvan lijkt over zijn gezicht een nog serieuzere blik te komen dan ze tot nu toe van hem had gezien.
“Ik kan ontkennen noch bevestigen dat gedaantewisselaars het Dromenwoud bevolken, maar ik heb de goede gewoonte ontwikkeld dit soort onverklaarbare gebeurtenissen zoveel mogelijk te vermijden.”
Meer kans om te vragen naar onverklaarbare gebeurtenissen en het bestaan van Drobo’s of andere creaturen krijgt Elena niet. Haro houdt de deur van de koets voor haar en Ellis open.
Het mooie gewaad dat geschikt zou moeten zijn voor een goede eerste indruk op haar aanstaande echtgenoot, blijkt niet erg praktisch bij het instappen en Haro’s snel uitgestoken hand biedt juist op tijd de nodige stevigheid om toch nog enigszins elegant de koets in te komen, in plaats van languit op de vloer te belanden.
Inwendig nog een tijdje doorfoeterend op diegene die heeft bedacht dat dit soort gewaden geschikt zouden zijn, probeert ze zodanig plaats te nemen op het bankje dat haar jurk niet tegen de raampjes omhoog staat.
Ellis worstelt zich ook naar binnen en doet ook een poging de opstandig lijkende stof onder bedwang te krijgen.
Elena schiet in de lach. “Wat een idee hè, zo’n jurk.” Ellis kijkt haar met een nog verhit gezicht aan om te peilen wat ze zou kunnen antwoorden op de opmerking van haar vrouwe.
“Het is een prachtige jurk vrouwe”, antwoord ze bedeesd.
“Hou op, het is vreselijk onpraktisch. Alleen gemaakt om in te staan en om bekeken te worden.”
Elena moet zich inhouden om er niet aan toe te voegen dat ze veel liever een broek zou dragen. Waarschijnlijk zou het arme kind flauw vallen. Ze weet heel goed dat iets dergelijks voor vrouwen, zelfs in de armere bevolkingslagen, uit den boze is. De vrouwen die genoodzaakt zijn zwaardere fysieke arbeid te verrichten werken wel eens alleen in hun onderjurk. In uiterste gevallen zelfs wat optrokken voor meer gemak, maar een broek is alleen weggelegd voor mannen. Elena had wel eens een broek gedragen. Gewoon, om te proberen. Het was onwennig geweest, maar had haar ontzettend praktisch geleken. Ze had flink op haar donder gehad van Anne, maar in haar ogen had ze een geamuseerde blik gezien.
Haar gedachten drijven nog iets verder mee op haar golven van fantasie en ze stelt zich voor hoe de reacties zouden zijn als ze straks uit de koets zou stappen in een mannenbroek.
Misschien is dat helemaal geen gek idee. De kans lijkt haar vrij groot dat haar toekomstige echtgenoot zich ter plekke zal bedenken en snel naar een beter geschikte vrouw op zoek gaat. Eéntje die zich wel geschikt wist te kleden.
Aan de andere kant, als ze zich publiekelijk ten schande zou maken zou dat haar kansen om ooit nog een geschiktere huwelijkskandidaat te vinden drastisch verkleinen.
Inwendig zucht ze eventjes, waarom zijn dit soort dingen nooit eenvoudig?
Met een zachte glimlach om haar lippen kijkt ze naar Ellis. Het meisje is in slaap gevallen en ziet er kinderlijk en kwetsbaar uit. Misschien was ze zelf maar een jaar of drie ouder. Ze zou maar wat graag weer die kinderlijke onschuld hebben. Met haar nieuwe leven vol onbekende dingen in het verschiet die zwaar op haar schouders rusten voelt ze zich oud.
Terwijl ze dit zit te overdenken maakt het rijtuig een enorme zwaai terwijl het geluid van krakend hout verraadt dat dit niet enkel een kuil in de weg betreft.
De koets helt verder over en Elena klampt zich vast aan een gordijn en een rand van de bank. De plotselinge beweging van het rijtuig schudt Ellis ruw uit haar slaap. Het rijtuig lijkt in slow-motion te kantelen en ze glijdt van haar bank op de grond met haar benen in de lucht. Elena kan zich ook bijna niet vasthouden en ook zij glijdt weg tegen een zijwand.
Met nog meer gekraak en geschreeuw van buiten de koets lijken ze tot stilstand te zijn gekomen. Elena probeert te bewegen om te kijken waar boven en waar onder is. Ze liggen stil, de dissel is waarschijnlijk afgebroken, ze worden in ieder geval niet voortgesleurd door op hol geslagen paarden.
Ze ziet de deur boven zich, gelukkig lag de koets op de andere zijde.
Even beduusd van het plotseling tot stilstand komen na die buiteling, hoort Elena buiten de koets lawaai, haar escorte was ongetwijfeld ook enorm geschrokken.
Ze probeert te gaan staan om de deur te openen of in ieder geval te kunnen kijken of ze iets zou kunnen zien. Ellis ligt kreunend naast haar, een klein straaltje bloed loopt over haar toch al bleke gezicht.
“Gaat het?”, vraagt ze. Een kreunend antwoord lijkt dat te bevestigen.
“Ja, ik ben nog heel”, antwoordt het meisje terwijl ze haar beduusd aankijkt.
Het is Eline gelukt te gaan staan en ze morrelt aan de sluiting van de deur. Met moeite lukt het haar deze te openen en ze kijkt om zich heen of er ergens een randje is om op te gaan staan.
Nogmaals haar enorme jurk vervloekend vindt ze een plekje om haar voet op te zetten en zich een stukje uit de deur te hijsen. Een zwarte gehandschoende hand wordt naar haar uitgestoken en ze neemt hem opgelucht aan.
Terwijl ze met behulp van sterke handen uit het rijtuig weet te klauteren kijkt ze opgelucht op naar Haro.
Haar hart slaat een slag over, dat is Haro niet! In plaats daarvan kijkt ze in lichtblauwe ogen die haar van onder een donkere kap geamuseerd aankijken. Razendsnel registreert ze dat dit niet een mantel is van iemand van haar escorte. Ze blikt vlug om zich heen en ziet een handvol mannen van haar begeleiders vechten met andere onbekende mannen in soortgelijke donkere mantels. Het duurt niet lang voordat ze ziet dat al haar mannen het onderspit lijken te delven.
Ondertussen zwaait de onbekende haar met gemak van de koets en zet haar onzacht neer. Ze wil protesteren maar voordat ze het weet trekt iemand achter haar een doek of een zak over haar hoofd. In haar paniek komt er niet meer dan een gesmoord gilletje uit haar keel. Ze probeert zich opnieuw te verzetten maar voelt dat haar polsen samengebonden worden. In een opeenvolging van gebeurtenissen wordt ze opgetild en ruw over een paardenrug gegooid. Ze voelt het warme dier onder haar en de vertrouwde paardengeur vult haar neus.
In een nieuwe panieksgolf begint ze te spartelen en voelt dat ze van de paardenrug glijdt. Haar overmeesteraar is hier blijkbaar niet van gediend want het laatste dat ze voelt is een doffe dreun op de achterkant van haar hoofd en wordt ze overspoeld door een duisternis.

Elena voelt haar hoofd bonken alsof deze elk moment uit elkaar kan spatten. Ze twijfelt of ze haar ogen wil openen of dat dat nog meer pijn zal gaan veroorzaken.
Voorzichtig laat ze een spleetje licht op haar netvlies vallen. Alhoewel het niets veranderd aan het onophoudelijke gebons in haar hoofd doet ze ze snel weer dicht. Het licht is veel te fel.
Ze concentreerd zich op andere delen van haar lijf. Haar lippen voelen droog aan en ze durft haar nek niet te bewegen.
Uiterst behoedzaam beweegt ze haar handen. Haar ene arm ligt wat ongemakkelijk onder haar gevouwen en voelt doof aan. Haar voeten zijn koud maar het voelt niet alsof daar schade is ontstaan.
Zachtjes probeert ze haar arm onder haar romp weg te schuiven. Daarbij moet ze haar hoofd en schouder een stukje optillen en ze kreunt van inspanning.
Haar spieren voelen beurs over haar gehele lichaam.
Heel langzaam prikken de herinneringen aan de gebeurtenissen door de dikke watten die in haar hoofd lijken te zitten.
Terwijl ze toch voorzichtig verder gaat met haar arm verleggen realiseert ze zich dat haar handen niet meer zijn samengebonden.
Om toch te kunnen zien waar ze zich bevindt doet ze nog een poging tot het openen van haar ogen. Voorzichtig gluurt ze opnieuw tussen haar oogleden door.
Ze negeert het stekende licht en ziet vaag schaduwen in de verte. Dichterbij ziet ze gras en mos. Haar hoofd ligt bijna op een dikke boomwortel. Als haar blik iets verder opzij dwaalt ziet ze een paar laarzen vlakbij haar staan.
Van schrik krimpt ze ineen.
“Geen zorgen, ik doe je geen kwaad.”
Zijn stem klinkt ruw maar vriendelijk. Ze vertrouwt hem voor geen meter.
“Wil je wat water?”, vraagt hij terwijl hij vlak naast haar neer knielt.
Het aanbod is bijna verleidelijk genoeg om haar hoofd op te heffen. Ze probeert te antwoorden maar haar keel lijkt wel schuurpapier. Ze produceert een raar hees geluid.
“Hier, drink maar”, dringt hij aan terwijl hij een kruik wat onhandig bij haar mond houdt. Met de minst dove hand pakt ze de hals van de kruik en laat wat fris water over haar lippen lopen en neemt een klein slokje.
Ze probeert ondanks haar hevig protesterende hoofd iets verder omhoog te komen om beter te kunnen drinken. Het water is heerlijk verfrissend.
Haar overmeesteraar ondersteunt haar een beetje terwijl ze kreunend halfzittend tegen de boomstam leunt.
Ze weett dat hij het is, de man met de blauwe ogen. Niet omdat ze zijn laarzen had herkent, of zijn stem. Maar ze voelt het gewoon aan.
Vechtend tegen het gebonk en het draaierige gevoel in haar hoofd probeert ze hem aan te kijken.
Zodra haar ogen de zijne vinden ziet ze tot haar verbazing een spijtige uitdrukking op zijn gezicht.
“Mijn excuses voor de ruwe behandeling vrouwe,” begint hij, “we moesten wat overhaast vertrekken. “
Excuses? Is hij nu helemaal gek geworden? Eline voelt een mengeling van woede en frustratie opkomen.
“Overhaast vertrekken?”, brengt ze uit.
“Wie denkt u wel dat u bent?”
Ze heeft zin om hem een klap in zijn gezicht te geven maar de ruwe behandeling tot nu toe combineert niet zo goed met haar opkomende woede. Ze voelt zich nog draaieriger worden en terwijl haar oren suisen en haar zichtsveld weer langzaam zwart wordt bemerkt ze nog net zijn handen die haar voorzichtig naar een liggende positie begeleiden.
Er zijn blijkbaar uren verstreken toen Elena opnieuw een poging wil ondernemen om haar ogen te openen. Even slaat de paniek toe als blijkt dat ze met haar ogen open net zo min iets kan zien als met haar ogen dicht. Een snurkend geluid op een afstandje van haar kalmeert haar een beetje. Ze heeft deze keer geen moeite zich te herinneren wat er is gebeurd, alleen haar tijdsbesef blijkt niet helemaal juist. Het lijkt inmiddels nacht. Haar ogen hebben even tijd nodig om vage schaduwen te onderscheiden.
Ze draait haar hoofd een beetje om verder richting het snurkende geluid te kunnen kijken. Haar overmeesteraars zijn blijkbaar erg voorzichtig want het vuur is getemperd tot een smeulend hoopje dat amper licht geeft.
Dicht bij haar beweegt iets, opnieuw voelt ze een gevoel van paniek opkomen. Het draaien van haar hoofd is niet iets dat ze graag doet maar ze dwingt zichzelf te kijken wat er zo dicht bij haar is.
Vlak bij haar zit blijkbaar iemand op wacht, hij staat op en loopt naar het kleine vuurtje.
Ze ziet dat hij niet de blauwogige man is, haar bewaker trok met zijn been en looptp enigszins krom. Tot nu toe was er geen gelegenheid anderen van deze bende te herkennen. Elena probeert in de schaduwen te onderscheiden met hoeveel mannen deze groep is, ze had er in de ogenblikken dat ze de koets uitklauterde minstens tien gezien. Haar escorte bestond uit 30 personen dus de overvallers hadden waarschijnlijk het gezelschap totaal verrast. Het getuur in de schaduwen levert vooralsnog geen andere informatie op.
De manke bewaker heeft blijkbaar de blauwogige man geroepen. Zonder dat ze zijn gezicht kan zien weet ze dat hij het is die naar haar toe komt.
Ze is minder duizelig dan de vorige keer dat ze wakker was geworden, en nu vastbesloten er achter te komen wat ze van haar willen.
Hij knielt voor haar neer. Door het gebrek aan licht kan ze zijn gezicht niet zien. Hij spreekt zacht.
“Ik dacht dat je misschien wat zou willen eten. “
Opnieuw is zijn toon enigszins verontschuldigend. Ze vraagt zich af waarom.
“Waar zijn mijn mannen?” Ook zij spreekt niet hard, maar er klinkt een scherpe toon door in haar vraag.
Hij zwijgt even. “Te laf om eerlijk antwoord te geven”, denkt Elena.
“De meesten zijn dood, vrouwe. Een stuk of tien waren alleen bewusteloos, waarschijnlijk overleven ze het wel.”
Elena’s hersenen draaien overuren. Waarom hebben ze de bewusteloze mannen laten leven? Het zou haar overvallers veel tijdwinst opleveren als ze niemand in leven hadden gelaten.
Blijkbaar zijn deze mannen niet goed voorbereid aan de overval begonnen, of ze zijn wel erg zeker van hun zaak.
“Uw vrouwelijke bediende zal ze ongetwijfeld verzorgen. We hebben haar ongemoeid gelaten.”
Elena is verbluft. Over haar netvlies schiet een beeld van de doodsbange, verlegen Ellis die tussen de lichamen van die mannen door zou lopen om te kijken of er overlevenden zijn, doodsbang dat er ergens achter een boom nog iemand zou staan die haar alsnog iets zou aandoen. Als ze zich er toe zou kunnen zetten zo dichtbij een gesneuvelde wachter te komen. Ze betwijfelt het.
“Waar hebben wij deze barbaarse streek aan te danken? We hadden weinig van waarde bij ons.”
Elena voelt de woede in zich opborrelen. Het lot van haar mannen en Ellis geeft haar een machteloos gevoel.
Haar overmeesteraar zucht. “Ik begrijp dat het moeilijk te geloven is, maar ik had het ook liever anders gezien.”
Het antwoord verwart haar. Had deze man opdracht gekregen het gezelschap te overvallen terwijl hij het zelf geen goed idee vond? Of was de overval heel anders verlopen dan gepland?
Ze wil hem nog iets vragen maar hij zet de kom ietwat abrubt voor haar neer en verdwijnt weer richting het vuur dat inmiddels niet meer is dan een gloeiende stip in de nacht.
De geur maakt haar in eerste instantie enigsins misselijk. Klaarblijkelijk nog het gevolg van de klap op haar achterhoofd, want nu ze zichzelf heeft gedwongen toch een paar kleine happen te nemen, kalmeert haar maag en blijkt het een best aardige soep. Koud, maar smakelijk.
Terwijl ze langzaam aan het eten is kan ze steeds meer onderscheiden en langzaam kondigt de ochtend zich aan.
Even overweegt ze om te trachten te ontsnappen. De start van de dag maak dat ze steeds beter de vormen in het duister kan ontwaren. Haar bewaker is niet teruggekeerd nadat ze de kom eten had gekregen. De haalbaarheid van dit plan blijkt niet zo groot. Zodra ze zich een beetje verroert bemerkt ze dat meerdere ogen op haar worden gericht. De mannen waren klaarblijkelijk al gewekt en binnen de kortste keren staan ze allemaal klaar om te vertrekken.
Twaalf man telt Elena, haar eerste indruk was aardig goed geweest. Eén van de mannen loopt op haar af en trekt haar ruw omhoog. Hoewel ze niet meer geboeid is aan haar polsen valt het niet mee om rechtop te staan. Hij houdt haar stevig vast zodat ze niet door haar knikkende knieën kan zakken.
De blauwogige man beent op hen af. Hij pakt haar arm en kijkt de ander dreigend aan. Gelukkig knijpt hij iets minder hard.
“Ga je paard halen.” Hij klinkt rustig maar dreigend. Als het Elena nog niet duidelijk was geweest wie de leider van het gezelschap is weet ze het nu heel zeker. De man probeert zijn rug nog wat te rechten terwijl hij wegloopt maar het was overduidelijk dat hij op zijn nummer is gezet.
“Vrouwe, we vertrekken. Bent u in staat paard te rijden?”
Eline kon waarschijnlijk eerder paardrijden dan lopen maar had weinig trek hem wijzer te maken. Ze hief haar kin en keek hem strak in zijn ogen. “Ik eis dat u me onmiddellijk terugbrengt naar mijn escorte.”
Hij staarde onbewogen terug. “Dat zal helaas niet gaan.”
“Wat bent u met me van plan? Waar brengt u me naar toe?”, Elena voelt een knoop in haar maag.
Allerlei scenario’s, de één nog gruwelijker dan de ander, hebben zich de afgelopen uren af en aan een weg gebaand door haar bewustzijn. Stuk voor stuk heeft ze ze afgewezen, genegeerd, teruggestuurd naar de donkere diepten waar ze vandaan kwamen. Ze hebben de afgelopen uren verschrikkelijke dingen met haar kunnen doen. Goed bekeken zijn ze mild geweest, vriendelijk bijna. Het verwart haar en jaagt haar eigenlijk nog meer angst aan. Wat is de bedoeling van deze mannen?
Even lijkt het erop dat de man woorden zoekt om een gedegen uitleg te geven. Net op het moment dat hij haar wil antwoorden pakt één van de andere mannen hem bij zijn arm. “Heer, de boodschapper is terug.”
Heer? Haar blik glijdt over zijn gestalte. Zou hij echt een Heer zijn? Of zou hij zichzelf die titel hebben toegeëigend als leider van deze bende? Elena voelt de vragen en onzekerheden zich steeds meer opstapelen.
Nu het ogenblik dat hij misschien iets zou kunnen uitleggen verstoord is, heeft ze het gevoel dat het moment waarop alles duidelijk zou worden voor haar neus is weggegrist. Nog steunend tegen de boomstam wil ze hem terugroepen om alsnog de verklaring te eisen die hij haar schuldig is. Dan ziet ze de boodschapper. Ze heeft hem eerder gezien. Het korte moment waarop hij met zijn gezicht naar haar toe staat is voldoende. Hij is één van de mannen uit haar escorte.
Verbijsterd laat ze zich weer door haar knieën zakken. Ergens heeft ze zichzelf voorgehouden dat deze hele situatie op een vreselijk misverstand gebaseerd is. Dat deze noodlottige situatie toeval moet zijn geweest. Ze zijn simpelweg op het verkeerde tijdstip op de verkeerde plaatst geweest.
De aanwezigheid van deze “boodschapper” duidt op veel meer dan toeval. Ze hebben doelbewust haar in een hinderlaag gelokt en meegenomen.
De boodschapper lijkt de herkenning in haar blik op te vangen en draait zich vlug om. De leider van het gezelschap heeft onmiskenbaar een oog voor details en voordat ze de kans krijgt haar gedachten weer te ordenen, staat hij alweer voor haar.
“Eerst moeten wij even verder praten”, hij klinkt bijna net zo indringend als tegen de man die haar ruw op rechtop had getrokken.
Een paar korte woorden tegen de man die het dichtst bij hen in de buurt staat maakt dat iedereen stopt met de voorbereidingen voor vertrek.
“Breng de vrouwe drinken.”
Binnen een paar tellen wordt haar een drinkzak aangereikt. Dankbaar neemt ze hem aan. Zichzelf laten uitdrogen om dwars te liggen lijkt haar op dit moment onzinnig. Daarbij geeft het haar even weer een momentje om na te denken.
De mannen trekken zich terug tot de andere kant van de open plek waar ze die nacht hadden doorgebracht.
“Ik begrijp dat deze vervelende situatie enige uitleg vraagt”, begint hij. Hij klinkt niet onzeker maar ze ziet aan hem dat hij aan het zoeken is naar de juiste woorden.
De snelheid waarmee haar brein steeds de nieuwe ontwikkelingen tracht te ordenen maakt dat ze alleen maar kan knikken. Even dringt een hysterisch stemmetje in haar hoofd zich op: “Vervelende situatie? Uitleg? Wat denkt hij wel niet? Dat hij kan uitleggen waarom je bent overvallen, er mensen zijn gesneuveld en je bent verraden door één van de mannen van je aanstaande echtgenoot?”
“We hebben de overval in scene gezet om te verhinderen dat je aankomt op het kasteel.”
“W..w..waarom?”, stamelt Elena, verbaasd door de directheid van zijn verklaring.
Opnieuw flitst een gruwelijk beeld door haar hoofd, zouden ze haar vermoorden en ergens in een greppel in het bos achterlaten?
“Omdat het op het kasteel niet veilig is”.
Het hysterische stemmetje laat opnieuw spottend van zich horen: “Wàt? En een koets laten verongelukken, wachters afslachten en je bewusteloos het bos insleuren met een bende kerels is wel veilig?”
Elena moet het stemmetje gelijk geven maar krijgt niet de kans de vraag te stellen.
“Er zijn dingen gaande die het daglicht niet kunnen verdragen. Als aanstaande vrouwe Valckenhoof loopt u veel risico indien u op het kasteel zou aankomen. Uw leven is in gevaar.”
“Drobo’s”, mompelt Elena.
Even ziet ze zijn gezichtsuitdrukking veranderen.
“Vrouwe Elena, u moet me geloven als ik zeg dat we u geen kwaad zullen doen.”
Zijn woorden hebben weinig waarde voor Elena. Ze voelt een verdovend gevoel opkruipen en weet ineens met zekerheid dat de waterzak die haar was aangereikt niet alleen met water was gevuld. Ze probeert hem nog te zeggen dat hij er vreemde ideeën op na houdt als het kwaad doen betreft maar ze zakt bewusteloos ineen op de bosgrond.
Ergens in de verte hoort ze hem op een boze toon iets zeggen maar ze is al te ver buiten bewustzijn om te horen wat hij zegt.


Hoofdstuk 2

Elena rekte zich uit. Haar bed voelt aan als een heerlijke warme wolk. Ze heeft heerlijk geslapen. Luisterend naar het knetteren van het vuur prijst ze Anne voor haar timing. Ze draait zich nog eventjes om, haar gedachten schieten nog heen en weer tussen slapen en waken. Herinneringen van een groot licht bos met prachtige bomen en schitterende mostapijten uit haar droom veroorzaken een glimlach op haar gezicht.
Haar laken voelt ruw onder haar wang. Nogmaals draait ze zich om en vraagt zich af of Anne al kleding voor haar klaargelegd heeft. Eigenlijk voelt ze ook wat hobbels en bobbels in haar matras en terwijl ze zich afvraagt waar ze per ongeluk op is gaan liggen opent ze haar ogen.
Wijd opengesperd neemt ze haar omgeving in zich op, om ze onmiddellijk weer stijf dicht te knijpen. Er klopt iets niet. Niets uit de kamer die ze zojuist zag, komt overeen met haar eigen kamer. Er is een raam waardoor zonnestralen vrolijk naar binnen schijnen maar verder was de ruimte klein en donker. Een laag plafond met dikke balken, grauwe muren en grof beddegoed lijken bij lange na niet op de hoge lichte kamer waar ze toch vrijwel elke ochtend van haar leven is wakker geworden.
Dwars door het moment van verwarring priemen nare herinneringen. De overval, de nacht in het bos. Alles komt razendsnel weer boven en maakt dat ze in één klap klaarwakker is.
Van heerlijk ontspannen is ze nu op haar hoede. Waar is ze? Bij wie is ze?
Op dat moment wordt het gordijn dat de kleine slaapkamer afscheidt een stukje opengedaan. Een rimpelig gezicht gluurt langs de rand.
Met een brede glimlach schuifelt een gebogen, oude man door de opening van het gordijn.
“Ah, ze is wakker. Gelukkig maar, nietwaar Pip?”, zegt hij met een wat krassende stem.
Eline vindt hem er ontwapenend uitzien, broos, kwetsbaar en vriendelijk maar met alle gebeurtenissen in haar achterhoofd kan ze hem onmogelijk vertrouwen.
“Wie bent u? Waar ben ik?”, begon ze.
“Nou,nou, één ding tegelijk, nietwaar Pip?”, antwoordt hij, zijn vriendelijke grijze ogen op de hare gericht.
“Mijn naam is Herb en dit is Pip, nietwaar Pip?”, beantwoordt hij in ieder geval één van haar vragen. Ze kijkt iets beter naar de kleding van deze oude man. Het zijn diverse lagen stof in allerlei kleuren. Waarschijnlijk zijn het niet eens echt kleren en heeft de man alleen maar losse lappen over zich heen gedrapeerd. Verschenen, versteld en rafelig. Hij lijkt nog het meest op een berg vodden met een hoofd. Zijn dunne, grijze haar staat min of meer in pieken rechtop, alsof hij zojuist een tijdje op zijn kop had gehangen.
Ineens valt haar blik op de linker schouder van de man. Daar zat een piepklein uiltje. Zo klein had Eline nog nooit een uil gezien. Het diertje kijkt haar met een pientere blik aan, knippert een keer en draait zijn kop links- en rechtsom zoals alleen een uil dat kan.
“We zullen je eerst een beker thee gaan brengen, nietwaar Pip?”, mompelt de man terwijl hij weer achteruit schuifelt en achter het gordijn verdwijnt.
Zijn verschijning heeft haar laten schrikken maar is tegelijkertijd ook enigszins geruststellend. Ze krijgt niet de indruk dat er nog anderen aanwezig zijn, waar ze zich ook bevindt.
Van achter het gordijn hoort ze vaag wat gerommel en gemompel van de oude man. Ze slaat de dekens en lakens van haar af en verbaast zich erover dat ze alleen haar onderjurk draagt. Ze begint om zich heen te kijken naar haar jurk maar tot haar schrik ziet ze niets dat haar bekend voorkomt. Vlak bij het voeteneind van het bed staat een kist, daar ligt nog een deken op en verder is dit kleine vertrek leeg. Een blik uit het raam vertelt haar ook niet veel. Het enige uitzicht dat ze heeft is bomen.
Ze hoort Herb praten tegen Pip en schiet weer onder de dekens. Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat zij daar in het kamertje verblijft stapt hij weer binnen. Hij draagt een dampende mok en een plankje met een stuk brood en zet het op een puntje van de kist.
“Hier meisje, eet eerst maar even iets.” Hij draait zich alweer om om door het gordijn weg te schuifelen en terloops merkt hij op: “Als je je goed genoeg voelt om op te staan, er ligt een jurk op de kist. Het is niet zo mooi als je eigen, maar helaas ben ik niet beter ingericht op dit soort bezoek, nietwaar Pip?”
Elena kijkt nog eens verbaasd naar de lap op de kist die ze voor deken had aangezien. Een jurk? Dat? Even is ze geschokt maar de nieuwsgierigheid wint het van de afkeer. De stof voelt grof en ruw. Terwijl ze de jurk optilt en probeert in te schatten wat de kleur, het model en de maat ongeveer is valt haar wel op dat de stof in ieder geval schoon is. Nu ze er op let is ook het bed waarin ze lag voorzien van schone lakens en dekens. Grove stof, grauw van kleur, met hier en daar een verstellap, maar wel schoon.
Uit het bed merkt ze dat ze staat te rillen. Het is het in haar onderjurk ietwat fris, dus ze besluit de deken-jurk toch maar te proberen. Stomverbaasd moet ze toegeven dat hij voor haar gemaakt had kunnen zijn. Nergens te strak of te wijd en de lengte is precies goed. Eenvoudig van snit, maar verder prima. Hij ruikt een beetje naar de rook van het houtvuur, vermengd met een geur die haar nog het meest doet denken aan de hooiberg in de stallen van haar vader.
Terwijl ze de jurk nog een keer gladstrijkt merkt ze dat het even geleden is dat ze iets heeft gegeten. Een klein beetje licht in haar hoofd laat ze zich weer op het bed zakken. Ze proeft een hapje brood en is verbaasd over de versheid ervan. De thee ruikt eveneens heerlijk, ze kan niet thuisbrengen welke kruiden de oude man heeft gebruikt. Zittend op de rand van het bed, knabbelend aan het brood probeert ze de absurde situatie te negeren en haar gedachten op de rij te krijgen.
Het laatste dat ze zich kan herinneren is het kampement van de roversbende. Ze zouden vertrekken en de blauwogige leider wilde haar iets zeggen.
Het water, daar had iets verdovends in gezeten. Vanaf dat moment wist ze niets meer.
Ze voelt voorzichtig aan de achterzijde van haar hoofd. Geen hoofdpijn of kloppend gevoel maar nu ze er op drukt bemerkt ze nog de beurse plek.
Hoe lang is ze buiten bewustzijn geweest? Een dag? Twee? Ze laat haar gedachten langzaam haar lichaam langslopen. Nergens pijn. Wel een beetje stijf, als ze weer over de rug van een paard was gegooid is dat ook niet zo vreemd.
De thee en het brood geven haar maag een stabieler gevoel en ze besluit te gaan kijken waar Herb is gebleven om hem te vragen waar ze zich bevindt. Vlak voor het gordijn blijft ze toch twijfelend staan om te luisteren naar de geluiden aan de andere zijde. Ze hoort dat er hout op het vuur wordt gegooid en verder niets.
Ze hoopt maar dat er niemand van de rovers aanwezig zou zijn. Herb gaf haar wel een vertrouwd gevoel maar misschien was zijn ongewongen houding misleidend. Toch wil ze hem vragen haar te helpen thuis te komen.
Een vlugge blik door een kier van het gordijn stelt haar gerust, geen anderen aanwezig. Herb staat, nog verder voorovergebogen dan zijn kromme houding die ze zojuist had gezien, een beetje in het haardvuur te porren met een pook. De ruimte is misschien drie keer zo groot als het slaapgedeelte en wordt voornamelijk in beslag genomen door een tafel.
Herb draait zich om en ziet haar in de opening staan. “Ah, mooi, hij past. Je mag je mok wel op de tafel zetten, nietwaar Pip?”
Hij draait zich weer om en schuifelde naar een brede plank aan de muur vol potten en schalen om iets te pakken.
Ze weet niet goed wat ze moet zeggen. “Dank je, Herb.”, begon ze. “Het brood en de thee waren heerlijk.” Hij draait zich glimlachend naar haar om. “Gelukkig, nietwaar Pip?”.
Ze opent haar mond om te vragen hoelang ze hier al is en waar “hier” dan wel niet zou zijn, maar Herb is haar voor. Alsof hij precies weet wat ze wil vragen zegt hij: “Je hebt een dag en een nacht geslapen. Je bevindt je in het hartje van het Dromenwoud.”
“Ga zitten, dan krijg je nog wat brood. Ik moet ook nog wat kaas hebben hier ergens.” Hij draait zich al weer om om verder te zoeken op de brede plank.
“Ruben heeft je hier gebracht om je veilig te houden, nietwaar Pip?”, vervolgt hij.
“Ruben?”, vraagt Elena. “Is hij de leider van de bende? De man met de blauwe ogen?”
Herb zijn glimlach wordt nog breder. “Leider van de bende? Ja, zo zou je het kunnen noemen, nietwaar Pip?” Hij klinkt nogal raadselachtig.
“Waarom wil hij me veilig houden? Wie wil me iets aandoen? En wie heeft hem gestuurd?”
Herb zijn glimlach verdwijnt enigszins van zijn gezicht en hij kijkt haar recht in haar ogen.
“Ruben is een serieuze man, hij handelt niet lichtzinnig.”, antwoordt hij.
Zo snel als de glimlach van zijn gezicht was verdwenen verschijnt hij weer op het rimpelige gezicht.
“Kijk, gevonden. Ga zitten en eet, nietwaar Pip?”
Zelf laat hij zich ook op een houten bank zakken en trekt een stuk van het brood en biedt het haar aan. Ze gaat tegenover hem zitten terwijl zijn woorden nog door haar hoofd tollen.
Goed, de blauwogige man heet dus Ruben. Hij heeft haar hier gebracht omdat hij denkt dat ze gevaar loopt. In het bos wilde hij het aan haar uitleggen maar zover is het niet gekomen.
Er klinkt een hard geluid achter haar en springt van schrik op. Herb ziet de plotselinge paniek in haar ogen en zijn brede glimlach, die zijn standaard gezichtsuitdrukking lijkt te zijn, wordt iets strakker, zijn ogen krijgen een meewarige blik.
“Ga maar zitten meisje. Je bent hier veilig, nietwaar Pip?”, probeert hij haar gerust te stellen. “Er is niemand die deze hut weet te vinden, alleen Ruben.”
“Laat haar niet meer zo schrikken, Pip.” Spreekt hij de vogel toe, die achter haar een schaaltje van een klein tafeltje had gestoten.
Het kleine uiltje zit nog op het tafeltje een beetje ineen gedoken alsof het diertje zich werkelijk schuldig voelt.
“Ik heb nog nooit zo’n kleine uilensoort gezien.” Probeert Elena het gesprek wat luchtig te houden zodat ze tijd heeft om na te denken.
“Het is een soort die alleen in het Dromenbos voorkomt. Ze zijn heel zeldzaam, nietwaar Pip?”
“Hij is erg mooi.”
Herb grinnikt. “O, maar Pip is een meisje hoor, nietwaar Pip?”
“Ze woont al jaren bij me, ze is het enige gezelschap dat ik heb, nietwaar Pip?”
Het uiltje lijkt elk woord te verstaan en wipt weer naar Herbs rechterschouder. Ze kijkt Elena aan met een pientere uilenblik.
“Het spijt me Pip, ik vind je nog steeds prachtig”, spreekt Elena het uiltje toe. Met een soort van kort knikje lijkt Pip haar verontschuldiging te accepteren.
“Moet niet gekker worden.”, bedenkt Elena, “Zit ik hier in een hut midden in een mysterieus woud tegen een uil te praten!”
Herb lijkt het allemaal heel normaal te vinden. Hij neemt nog een slokje thee en begint te praten.
“Ruben heeft je hier gebracht zodat niemand je kan vinden. Hij komt binnenkort weer terug maar moet nog even iets regelen buiten het woud.”
“Ik wil graag naar huis Herb, niemand weet waar ik ben!”
Herb schudt zijn hoofd. “Dat zal echt niet gaan, het woud is op zichzelf al niet zonder gevaren. Het is onmogelijk om als onbekende door het woud te reizen. Zelfs voor diegene die het op zijn duimpje kent is het niet zonder gevaren.”
“Er zullen mensen naar me gaan zoeken. Mijn verloofde verwacht me al enkele dagen geleden. Mijn escorte zal inmiddels op het kasteel hebben verteld dat we zijn overvallen.”
“Des te beter, meisje.”, antwoord Herb, “Ook je vijanden zullen niet weten waar je bent.”
“Ik heb geen vijanden.”, zucht Elena. “Ik zou niet weten wie mij iets aan zou willen doen.”
“Iedereen heeft vijanden, vooral een mooie jongedame die gaat trouwen met de meest begeerlijke vrijgezel van dit koninkrijk.”
Elena is sprakeloos. Zo heeft ze het nog niet bekeken. Haar positie zou drastisch verbeteren na haar huwelijk. Er zullen ongetwijfeld mensen zijn die het liever anders hadden gezien. In haar jeugdige onschuld had ze werkelijk gedacht dat niemand reden zou hebben haar dit huwelijk te misgunnen.
“Waarom overkomt mij dit nu.”, verzucht ze retorisch.
“De goden hebben zo hun manieren om dingen te laten gebeuren, nietwaar Pip?”, antwoord Herb mysterieus.

De volgende dagen brengt ze in de hut van Herb door, het moment afwachtend dat Ruben zal komen om meer duidelijk te maken.
Na haar eerste gesprek met Herb heeft ze verschillende keren getracht meer informatie te krijgen maar telkens geeft hij haar opnieuw een mysterieus en filosofisch antwoord.
Hoewel de omstandigheden waardoor ze bij hem terecht is gekomen haar niet lekker zitten, kan ze prima met hem opschieten. Zijn kalmte geeft haar een veilig gevoel.
Herb blijkt een natuurtalent met de slinger en samen zijn ze dagelijks aan het oefenen. Zo nu en dan raakt ze de appel op het paaltje dat bij wijze van doelwit tussen de bomen is geplaatst.
Naast de slingerlessen worden de dagelijkse klusjes zoals hout halen en helpen bij het eten koken afgewisseld met een spelletje schaak en het vertellen van verhalen.
Bijna elke zin die Herb uitspreekt eindigt met “nietwaar Pip?”. Het uiltje en hij zijn bijna onafscheidelijk. Heel af en toe vliegt ze eventjes het bos in maar het duurt nooit lang voordat ze weer op Herbs schouder zit. Het lijkt wel alsof ze elkaar perfect aanvoelen.
In deze paar dagen heeft Elena het ritme van het leven van Herb al helemaal te pakken. Het is halverwege de middag dus wordt het tijd om te beginnen met de stoofpot waar ze die ochtend kruiden en paddenstoelen voor hebben gezocht. Ze pakt een houten emmer om water te halen in het kleine riviertje dat een klein stukje van de hut door het bos meandert. Herb kan elk moment terugkeren, hij was in het bos op jacht met zijn slinger. Twee dagen geleden had hij een haas buit gemaakt. Ze is benieuw wat hij deze keer zal hebben gevangen.
Terwijl ze in gedachten naar het riviertje loopt houdt ze ineens in. Een stukje verderop langs de oever zit Herb op een grote steen. Hij tuurt in het water, zijn slinger in de aanslag. Blijkbaar staat er vis op het menu vanavond.
Heel voorzichtig loopt ze een stukje verder. Ze wil hem niet storen, maar is nieuwsgierig of het hem lukt iets te vangen. Tussen een paar bomen blijft ze staan, Herb heeft haar niet opgemerkt.
Geboeid kijkt ze toe hoe de oude man heel geconcentreerd in het water tuurt. Minutenlang zit hij doodstil. Vanaf haar plek kan ze het water wel zien maar niet wat zich onder de oppervlakte bevindt.
Af en toe lijkt Herb toe te willen slaan maar telkens houdt hij zich weer in. Zo nu en dan ziet ze een kleine werveling in het water maar meestal kan ze geen enkele reactie bij Herb ontwaren.
Ineens breekt het wateroppervlak open en ziet ze een zilverkleurige flits. In een fractie van een seconde lijkt Herb te reageren. Vreemd genoeg mikt hij best ver naast de plek waar de vis zich bevindt. In het volgende ogenblik ziet ze het wateroppervlak nogmaals breken en dit keer flitst er iets donkers door het water. Razendsnel heeft herb een tweede steen in zijn slinger gelegd en gooit voor de tweede maal.
Hoewel alles zich razendsnel voor haar ogen afspeelt realiseert ze zich al snel dat de donkere flits zeer zeker geen vis is. Het wezen is weliswaar niet zo groot maar beweegt zich met grote snelheid. Het lijkt uit het water omhoog te springen naar Herb. In haar schrikreactie heft ze beide handen.
Het water lijkt zich aan het wezen vast te klampen en te vertragen. Zo snel als de tweede steen uit de slinger was geschoten vliegt er nu ook al weer een derde. De steen treft doel en het wezen lijkt plotsklaps te zijn verdwenen. De golf die het had vastgehouden zakt weer terug en Herb kijkt verschrikt in haar richting. Ze staat nog aan de grond genageld.
Met een snelheid die je van een man op leeftijd niet verwacht is hij bij haar. Met grote ogen kijkt ze hem aan.
“Wat was dat?”
“Eén van de wezens in het Dromenwoud. Hij rooft al een tijdje de vis op mijn beste stek, nietwaar Pip?”, antwoord hij met een grimmige uitdrukking op zijn anders lachende gezicht.
Bezorgd kijkt hij haar aan. “Gaat het een beetje? Je ziet spierwit.”
“Behalve dat ik me rot ben geschrokken van een wezen dat alleen in verhalen hoort voor te komen gaat het wel.”, antwoord Elena. Haar flinke woorden worden teniet gedaan door haar duidelijk knikkende knieën. Wankelend zoekt ze steun bij de boom.
Hij pakt haar hand en geeft er een klopje op. “Kom, tijd voor een kopje thee, nietwaar Pip?”
Samen lopen ze terug naar de hut. Elena probeert de gebeurtenissen nogmaals in haar hoofd af te spelen. Dit is misschien de tweede keer dat ze een wezen heeft gezien waarvan ze niet had geweten dat ze echt bestonden. Drobo’s kende ze uit verhalen. Een donker wezen dat zich in het water ophoudt, daar had ze nog nooit van gehoord.
Ze weet dat het geen zin heeft vragen te stellen voordat Herb er aan toe is er iets over te zeggen, dus houdt ze wijselijk haar mond. De ketel die nog boven het vuur hangt heeft nog net voldoende water voor twee koppen thee. Nog steeds zwijgend zitten ze tegen over elkaar aan de tafel. Ze voelt zich uitgeput. Ineens vliegt Pip op van een plankje in de buurt van de haard en gaat niet zoals gewoonlijk op Herbs schouder zitten, maar midden voor hem op tafel en slaakt een korte uilenkrijs. “Oja? Dat is goed nieuws Pip.”, beantwoordt hij het vreemde gedrag van het diertje en staat op.
Juist wanneer Elena wil vragen wat er aan de hand is hoort ze een geluid. Paardenhoeven. Hoewel ze aan Herb en Pip merkt dat er niets verontrustends aan is, schrikt ze toch enigszins.
Herb staat al in de deuropening en zoals ze eigenlijk al had verwacht, is de Ruben de onverwachte bezoeker.
Hij begroet Herb met een warme blik en legt even een hand op zijn bovenarm.
“Water, volgens mij doet ze water.” Is de wat vreemde welkomsboodschap van Herb.
Ruben kijkt verbaasd van Herb naar Elena. “Oja? Dat is interessant.”
“Vrouwe Elena, hoe maakt u het?”, begroet hij haar met een kleine buiging, de warrige water-opmerking van Herb even naast zich neer leggend.
Ze besluit hem maar vriendelijk te behandelen en geeft hem een kort knikje. “Prima, en met u?”
Er trekt even een grimmige blik over zijn gezicht. “Kon beter, maar het doet me erg goed u hier in goede gezondheid aan te treffen.”
Hij klinkt oprecht.
Heel even heeft ze de neiging hem te vragen waar hij is geweest of in ieder geval wat er niet volgens plan is gegaan. Ze besluit het niet te doen, het ontbreekt haar aan de energie.
Herb schuifelt ondertussen weer wat heen en weer tussen de haard en de planken die als voorraadkast dienen.
Opnieuw is Elena verbaasd over de verscheidenheid aan voedsel die hij van de planken lijkt te toveren. Een klein beetje rommelen levert een flink stuk kaas, een halve worst en een homp brood op. Hoewel ze nu al een paar dagen in de hut verblijft, en ook al heeft geholpen eten te koken, heeft ze deze etenswaar nog niet kunnen ontdekken tussen alle potten en schalen.
“Ik wilde vast beginnen met de stoofpot toen ik water kwam halen.”, verontschuldigt ze zich zachtjes aan Herb. “De emmer ligt volgens mij nog bij de boom.”
“Geen zorgen meisje, ik haal hem wel even, nietwaar Pip? “, antwoordt hij gemoedelijk.
Nu hij zijn gast blijkbaar voldoende etenswaar heeft voorgezet verdwijnt hij door de deur naar buiten.
Ruben lijkt zich onderweg niet al teveel tijd te hebben gegund om te eten, hij heeft in een paar happen de helft van het brood en een flink stuk kaas verorberd. Elena voelt zich wat ongemakkelijk in de stilte die tussen hen hangt.
Terwijl hij zijn laatste hap doorslikt kijkt hij haar aan. “Hoe goed ben je met water?”, vraagt hij haar.
Verward kijkt Elena hem aan. “Hoe bedoel je, met water?”
“Herb zegt dat je water doet.”
“Wat betekent dat? Water doen?”
Hij wilde juist nog een hap in zijn mond steken maar zijn hand blijft halverwege in de lucht hangen. “Je weet het werkelijk niet, hè? Ongelovelijk.”
Elena begint zich een beetje te ergeren aan de toon waarop hij zijn opmerking maakt. Ze is niet van plan zich steeds als onnozel wicht te laten behandelen.
“Nee, ook dat weet ik niet. Misschien kun je het op je lijstje zetten met dingen waarover je me een verklaring schuldig bent.”, sneert ze.
Hij trekt zijn wenkbrauw op en krijgt een geamuseerde blik in zijn ogen. “Het spijt me vrouwe, ik zal zoveel mogelijk mijn best doen om de verduidelijking te geven die ik inderdaad heb beloofd.”, spreekt hij quasi plechtig.
De pretlichtjes in zijn ogen werken als olie op het vuur, maar Elena haalt diep adem en weet zichzelf te beheersen.
“Nou, als u zo vriendelijk zou willen zijn op te helderen waarom u mij op brute wijze heeft weerhouden van de aankomst bij mijn verloofde?”
Zijn ogen glimmen nu nog meer en het lijkt alsof hij zich moet zich inhouden niet hardop te lachen.
“Uw verloofde zal ongetwijfeld zeer gelukkig zijn met een vrouw die zich zo graag bij hem wil zijn.”
Zijn brede grijns drijft haar tot waanzin.
“En waarom niet?”, antwoordt ze fel, “Hij heeft mijn vader immers om mijn hand gevraagd en er is geen enkele jonge vrouw in dit koninkrijk die niet met de prins zou willen trouwen. “
Ze kijkt hem uitdagend aan.
Hij staart naar het stuk kaas op zijn bord. Dat hij nu weigert haar aan te kijken maakt haar ziedend.
De stilte lijkt minutenlang te duren. Elena weigert als eerste het woord te nemen. Hij is haar een verklaring schuldig, en die zal ze krijgen ook.
Langzaam begint hij te spreken.
“Jou te kiezen als vrouw is een grote gok geweest. Pas toen het bekend werd dat de keuze op Elena Thorstendam was gevallen bleek dat het een beslissing was die grote gevolgen zou hebben.”
Hij kijkt haar diep in haar ogen en zacht vervolgd hij: “De combinatie van het huis Valckenhoof met Thorstendam kan een grootmacht worden, daar houden sommige mensen niet zo van.”
Elena kijkt hem verbluft aan, de blik in zijn ogen zegt haar dat hij bloedserieus is en elk woord meent dat hij zegt. “In welke wereld zou een grootmacht ontstaan door een huwelijk tussen de jongste broer van de koning met dochter uit een eenvoudige edele familie met minder dan gemiddelde hoeveelheden land of geld?”
“Er zijn zaken die meer macht opleveren dan land en geld, zaken waar minder grip op kan worden gehouden.”
Op dat moment komt Herb weer binnen met de emmer water.
Hij sluit de deur en lijkt de bijzondere sfeer aan te voelen die in de hut hangt. Langzaam draait hij zich naar hen toe en kijkt hen één voor één aan om te kunnen peilen wat er zojuist is gezegd.
Hij schuifelt verder en vult de ketel boven het vuur. Daarna vult hij een platte schaal bijna tot de rand en zet deze tussen Ruben en Eline op de tafel.
“Kijk in de schaal”, zegt hij op gebiedende toon.
Ze staart naar het kalm wordende water. Langzaam is het water in de schaal rimpelloos geworden. Vragend kijkt ze even op naar Ruben.
“Je moet blijven kijken, nietwaar Pip?”, zegt Herb op zachte gebiedende toon.
Opnieuw kijkt ze naar het water. Het stilstaande water lijkt donkerder van kleur te worden. Gehypnotiseerd blijft ze staren. Het oppervlak is nog steeds doodstil maar daaronder wordt het langzaam inktzwart. Nog beter kijkt ze in de schaal, de bodem is niet meer zichtbaar.
Haar ogen worden groter als de weerspiegeling van de plafondbalken ook steeds vager wordt en er een ander beeld lijkt te ontstaan in de schaal.
Er komt beweging in het zwarte water. Alsof het begint te golven, maar het oppervlak blijft vlak. Op de golven ontstaan schuimkoppen die stukslaan op een rotspartij. Op de rotsen verrijst een toren.
Het beeld in de schaal wordt steeds scherper. De toren is hoog en vlak aan de bovenzijde. Eline spert haar ogen nog verder open. Er staat een figuur op de toren. Een vrouw staat met geheven armen en gesloten ogen. Haar jurk wappert om zich heen maar dat lijkt haar niet te deren. De golven worden hoger en hoger. De vrouw begint ook golfbewegingen te maken met haar armen, ze zwaait van links naar rechts. Prachtige soepele bewegingen. Dan ziet ze het. De golven lijken te reageren op de beweging en slaan ook van links naar rechts tegen de rotsen. Dan is het beeld verdwenen. Elena knippert met haar ogen en kijkt Herb verbaasd aan.
“Jouw bloed, één van de vrouwen uit het geslacht Vosschentor.”
“D…dat is mijn moeders familienaam.”, stamelt ze, “Het is officieel mijn tweede achternaam, maar ik gebruik hem nooit.”
Vragend kijkt ze van de één naar de ander.
“De vrouwen uit de familie Vosschentor worden meestal niet oud. De meesten sterven nog voor ze kunnen lopen, nietwaar Pip?”
“Elke vijf generaties is er een nakomeling die de gave erft om water of aarde te kunnen laten bewegen.”, vult Ruben aan.
Verbaasd kijkt Elena van de één naar de ander… Haar blik blijft op Herb hangen.
“Bedoelde je dat toen je zei dat ik water deed? Jij denkt dat ik die gave heb? Waarom?”
“Omdat ik het je zag doen, nietwaar Pip?”, antwoord hij.
“Onzin! Ik heb alleen maar gekeken naar hoe je aan het vissen was, tot dat ik me rot schrok omdat dat zwarte ding kwam!”
Elena voelt frustratie in haar opkomen. “Ik heb nog nooit zomaar water laten bewegen en ook nog nooit gehoord dat het mogelijk is om zoiets te doen.”
Razendsnel schieten de gedachten door haar hoofd. Ze probeert zich elk verhaal dat Anne haar ooit heeft verteld te herinneren. De zee was ver van haar vaders landerijen vandaan, er waren heus wel verhalen over schepen en vissers, maar geen enkel verhaal dat ze zich kan herinneren gaat over mensen die dingen laten bewegen.
Ruben slaakt een diepe zucht. “Weet je het zeker Herb? Wat heb je gezien? Waarom ben je er zo zeker van?”
Herb mompelt hoofdschuddend: “Zeker weten, ze hield de lodder tegen. Geen twijfel mogelijk, nietwaar Pip?”
“Daarbij is ze van de vijfde generatie, ook al heeft haar gave zich nog niet echt gemanifesteerd, de geschriften zijn duidelijk, nietwaar Pip?”
“Waarom heb ik daar zelf nog nooit iets over gehoord? Ik heb echt nog nooit iets laten bewegen, tenzij een steen gooien ook telt. Kan er niet een andere tak van de Vosschentor familie bedoeld worden?”
Ruben neemt het woord: “De gave manifesteert zich alleen in de vrouwelijke lijn. De familie Vosschentor die op dit moment nog het familielandgoed bestiert, is al drie generaties zonder vrouwelijke nakomelingen geweest.”
Hij kijkt haar aan met een zachte blik.
“Het is juist jouw tak van de familie waar de gave in doorgegeven kan zijn. Jouw overgrootmoeder was een buitenechtelijk kind, uiteindelijk is ze erkend en mocht ze de naam Vosschentor aan haar kinderen geven. “
Het was voor het eerst dat Elena hoorde over haar overgrootmoeder.
Binnen de Vosschentor-familie is over de erkenning onenigheid ontstaan. Het kon niet meer worden teruggedraaid, maar ze werd wel uitgesloten van enig erfrecht. Haar overspelige vader kreeg een misdaad in zijn schoenen geschoven waarvoor hij terecht gesteld is.”
Elena merkt dat ze met open mond zit te luisteren en doet snel haar kaken op elkaar.
“De familie ziet het als een zwarte bladzijde in de familiegeschiedenis en spreekt er sindsdien niet over. Jouw overgrootmoeder had geen gemakkelijk leven en voelde zich erg tekort gedaan. Ze heeft er op gestaan dat al haar nakomelingen de naam zouden blijven dragen. Het was het enige dat ze had van de Vosschentor familie en blijkbaar wilde ze dat tot in jaren benutten.”
“Wat vreselijk, ik heb dat nooit geweten”, fluistert Elena.
“Gaves trekken zich weinig van huwelijksregels en familieruzies aan. Geschriften over de aarde- en watergave zijn bewaard gebleven in de kelders van het koninklijke kasteel. Met alleen mannelijke nakomelingen binnen de Vosschentor familie is de gave als verloren beschouwd. Het is heel waarschijnlijk dat jouw overgrootmoeder er ook helemaal geen weet van heeft gehad.”
De bibliotheek van het koninklijke kasteel is legendarisch. Er bestaat geen koninkrijk op de wereld waar zoveel informatie opgeslagen ligt.
“Alleen de koninklijke familie en hoogste adviseurs hebben toegang tot de archieven, hoe kun jij nu weten van het bestaan van deze geschriften? Laat staan dat je de inhoud kent.”
Elena vindt het welletjes. De bijzondere omstandigheden en onwaarschijnlijke verhalen gaan ver voorbij haar voorstellingsvermogen. Ze voelt een bonkende hoofdpijn opkomen. In plaats van antwoorden op haar vragen lijkt ze steeds dieper weg te zakken in een drijfzand van mythes, ingewikkelde familiebetrekkingen en onwaarschijnlijke sprookjes.
Ze fronst haar voorhoofd. “Dit alles is onvoorstelbaar onzinnig.” Ze staat op van de tafel. Ze wil weg, ver weg van mannen die zich bemoeien met haar leven, van verhalen over familiedrama’s en onverklaarbare gebeurtenissen.
Ruben ziet haar verwarring. “Dit is allemaal veel informatie in één keer, maar je moet ons geloven.”
Elena draait zich om, haar ogen schieten vuur. “Geloven? Waarom zou ik uitgerekend jou moeten geloven? Ik geloof geen rovers en dieven! Ik geloof geen overvallers en ontvoerders!”
Vol frustratie verzet ze zich hevig tegen alle informatie die ze zojuist heeft gekregen.
“Ik eis dat je me terugbrengt naar mijn huis, of naar mijn aanstaande echtgenoot, ik heb genoeg van deze verhalen. Ik heb schoon genoeg van dit bos, van dieven en drobo’s en..”
Ze wil nog veel meer opnoemen waar ze allemaal schoon genoeg van heeft, maar in één stap staat Ruben naast haar. Ze krimpt ineen, bang dat hij haar hysterie met een klap in haar gezicht wil beëindigen.
“Drobo’s??? Wat zei je daar?” vraagt hij haar dreigend.
“Waar – heb – jij – een – drobo – gezien?” Hij benadrukt elk woord afzonderlijk en staat zo dicht bij haar dat ze zich amper kan verroeren.
Ze fluistert: “In de herberg, er zat een kat in mijn kamer. Zodra het hoofd van mijn escorte deze zag, zijn we vertrokken. Mijn kamermeisje dacht dat het een drobo was.”
Hij draait zich om en vloekt. Ook Herb kijkt zorgelijk en mompelt iets onverstaanbaars.
“Het spijt me Elena, ik wilde je niet laten schrikken. Herb, we moeten meer duidelijkheid hebben, daar kan ik wel een glas wijn bij gebruiken. Heb je dat toevallig?” Zuchtend haalt Ruben zijn hand door zijn haar.
Herb schuifelt naar de plank. Eline is niet verbaasd dat hij daar inderdaad een kruik met wijn pakt. De plank lijkt opnieuw precies te herbergen wat er nodig is.
Terwijl hij wijn inschenkt gooit ze wat blokken op het vuur. Het is een vergeefse poging wat afstand te creeëren. Proberen om alle gebeurtenissen te begrijpen heeft ze gestaakt, evenals het verzetten tegen het verhaal van haar familiegeschiedenis. Het voelt alsof haar hele hoofd leeg is. Haar bewegingen gaan vrijwel automatisch.
Zuchtend gaat ze weer zitten aan de tafel en neemt een paar slokken wijn in de hoop dat haar gedachten weer beginnen te werken.
Ruben zucht diep en begint te spreken.
“De laatste jaren zijn er steeds meer tekenen dat de vrede in ons koninkrijk wordt ondermijnd of bedreigd door iets. Wezens waarvan men denkt dat ze alleen in verhalen voorkomen, zijn al eeuwen niet meer in ons koninkrijk waargenomen. Zo lang, dat we slechts kunnen gissen naar wat werkelijk heeft bestaan en wat in de loop der jaren is verzonnen. Er worden echter zo nu en dan vreemde gebeurtenissen gemeld. Deze tekenen zijn voor de meeste bewoners in ons koninkrijk niet zo zichtbaar, maar een aantal adviseurs van de koning probeert overal zoveel mogelijk informatie vandaan te halen. Drobo’s zijn een voorbeeld van dit soort wezens. Vanuit het oosten komen steeds meer verhalen die duiden op wezens die kunnen veranderen van vorm en de bevolking tot waanzin drijven. Hoewel zijn adviseurs de koning proberen te overtuigen dat er onverklaarbare gebeurtenissen voorkomen gelooft hij er niet in. Ze blijven echter zoeken naar oude geschriften die dit soort zaken kunnen verklaren.”
Hij neemt een slok wijn. Eline luistert aandachtig. Hoewel ook dit weer een bijzonder verhaal lijkt te worden, probeert ze zoveel mogelijk open te staan voor wat hij zal gaan zeggen.
“Kroonprins Erik neemt de verhalen serieus en de adviseurs brengen over dit onderwerp bij hem verslag uit. Eén van de geschriften spreekt van de verschillende gaves die oude families uit het koninkrijk eeuwen geleden beoefenden. Deze families, waaronder de familie Valckenhoof, hebben altijd gestreden voor het welzijn van het koninkrijk. Uiteindelijk zijn ze er in geslaagd een stabiel koninkrijk te vormen en is uit de meest invloedrijke familie een koning gekozen. Zo is het sinds die tijden blijven bestaan. De gaves zijn echter in de loop der jaren in de vergetelheid geraakt. De noodzaak om ze te blijven gebruiken is met de lange periode van vrede langzaam verdwenen. De gave om water te laten bewegen was één van de belangrijkste. Vergeleken bij de andere gaven is deze nog vrij lang doorgegeven en gebruikt. Vandaar dat we vrij goed weten hoe is in de familie Vosschentor is verlopen. Dat jouw vaders landerijen niet zijn opgeslokt in een verbond met een naburig Huis had vooral te maken met zijn verbintenis met jouw moeder. Niet zozeer omdat het bekend is dat een eventuele dochter een gave zou kunnen hebben, maar omdat Vosschentor één van de oude families is. Ook al is het deel waaruit jij stamt een onterfde tak.”
Een groot deel hiervan komt Elena bekend voor. Verhalen over de oude families, verbonden en allianties zijn onderdeel geweest van haar educatie. Haar vader had al deze informatie nog eens herhaald toen hij haar voorhield dat ze een geschikte partij zou zijn voor de jongste prins. Dat haar moeder uit een belangrijke familie stamde wist ze ook.
“Om de banden van de koninklijke familie met de andere invloedrijke families te kunnen versterken is kroonprins Erik getrouwd met een Raeven dochter en op dezelfde wijze ben jij ook gekozen als geschikte vrouw voor een prins. Jouw vaders familie is weliswaar niet één van de oude families, maar al jaren zeer stabiel en hij staat bekend als eerlijk en rechtschapen man.”
Eline glimlacht terwijl ze met trots aan haar vader denkt. Zijn landerijen worden inderdaad goed bestuurd en hij is erg geliefd. Het welzijn van de bevolking heeft altijd voorrang gehad. Geen geld wordt verkwist aan uiterlijk vertoon of buitenissige zaken. Zo gaat het al generaties lang.
“Het verzoek om jouw hand was al onderweg naar je vader, toen de documenten uit het archief werden gevonden over de verschillende gaves. Bij voorgaande vondsten uit het archief is gebleken dat er een lek is. Iemand brengt de gevonden informatie naar buiten. Tot nu toe is het nog niet gelukt uit te zoeken wie de schuldige is. Vandaar dat ik getracht heb eventuele plannen om het huwelijk te dwarsbomen in de war te schoppen. Dat jij onderweg een drobo hebt gezien wil misschien zeggen dat mijn plan te laat is ingezet.”
“Ik weet niet of het wel een drobo was. Volgens Haro had hij mijn kamer doorzocht en zat er geen kat. ’s Nachts werd ik wakker door een geluid en voelde ik iets aan mijn been. Toen hij de kat zag gaf hij de herbergier opdracht het ontbijt klaar te maken en zijn we vertrokken.”
Ruben kijkt bedenkelijk. Ook Herb lijkt in gedachten verzonken. De glimlach die bijna vastgebeiteld lijkt op zijn gezicht is veranderd in een peinzende uitdrukking.
“Vanuit het oosten zijn er veel wezens die zich in het Dromenwoud schuil lijken te houden. De reputatie van het woud werkt in hun voordeel.”
Het gevoel van frustratie is nog niet helemaal verdwenen, en ondanks dat de uitleg van Ruben op zijn minst bijzonder kan worden genoemd, twijfelt Elena niet aan de oprechtheid waarmee hij het verteld. Hoe vreemd de situatie ook is, ze heeft vanaf het eerste moment niet het gevoel gehad dat hij haar iets zou aandoen. Iets in zijn manier van doen maakt dat ze hem vertrouwd.
“We komen nu aan bij jouw kant van het verhaal, nietwaar Pip?”, begint Herb. “Behalve de verhalen om kinderen bang te maken, heb jij nog nooit gehoord van de gaves van de oude families?”
“Nee, zelfs nooit een verhaal. En tot vandaag dacht ik dat ik elk verhaal uit het koninkrijk en een flink aantal van daarbuiten wel had gehoord.”
De combinatie van het ongelooflijke verhaal, het inmiddels late tijdstip en hoogstwaarschijnlijk de twee glazen wijn maakten dat ze zich ineens doodmoe voelt. Herb lijkt het aan haar te zien en zegt: “Voor vandaag lijkt me dit wel voldoende, nietwaar Pip? Laten we het een nachtje bezinken.”
Elena kijkt hem dankbaar aan. Ze wenst hen een goede nacht en verdwijnt achter het gordijn. Ze kan het niet meer opbrengen om nog verder na te denkens. Morgen zou ze Ruben haar vragen stellen. Zodra ze in haar bed ligt valt ze in een diepe slaap van pure vermoeidheid.
De ochtend na het bijzondere gesprek schrikt Elena wakker. Ze hoort paardenhoeven. Meteen zit ze rechtop in bed. “Ruben! Hij vertrekt zonder me!”, schiet door haar heen.
Zonder zich te bekommeren om haar kleding haast ze zich uit bed en rent naar de deur. Het is nog schemerig, de ochtend is nog maar net begonnen.
Zodra ze een paar stappen buiten heeft gezet beseft ze dat ze ietwat overhaast heeft gereageerd. Een tiental paar ogen is op haar gericht. Ze blijft als aan de grond genageld staan. Ineens is ze zich sterk bewust van haar uiterlijk. Net uit bed, met haar haren in de war en enkel in haar nachthemd had ze net zo goed poedelnaakt buiten te kunnen staan. Zo voelt het in ieder geval wel.
Herb staat ineens naast haar. “Kom maar meisje, er is geen gevaar, nietwaar Pip?” Hij duwt haar zachtjes terug naar de deur.
Binnengekomen sluit Herb de deur achter haar. “Wat moeten ze wel niet van me denken Herb?”
Ze kijkt hem met grote ogen aan.
“Deze mannen kennen de gevaren in het Dromenwoud, ze zullen je niet kwalijk nemen dat je geschrokken bent, nietwaar Pip?”, sust Herb.
Ze kijkt hem nog een keer aan om zeker te weten dat hij meent wat hij zegt en haast zich achter het gordijn om haar jurk aan te trekken. Ze wil onder geen beding dat iemand haar nog in deze toestand kan zien.
Inwendig tierend en scheldend trekt ze haar jurk aan en begint verwoed een poging te doen haar haren in bedwang te krijgen.
“Stom wicht, hoe kun je nu zo naar buiten lopen? Wat had je willen doen? Hem smeken niet zonder je te vertrekken? Je had toch kunnen weten dat zijn bende ook nog ergens zou moeten zijn?”
Als ze klaar is met aankleden en ze geen verdere verbetering krijgt in haar kapsel is ze nog steeds onrustig. Ze schaamt zich enorm. Hoe moet ze in vredesnaam deze mannen nogmaals onder ogen komen?
Hoe moet ze Ruben onder ogen komen? Als hij haar heeft gezien, zou hij weten dat ze had gedacht dat hij zou vertrekken. Het idee dat hij heel zelfgenoegzaam plezier zou beleven aan die wetenschap maakt haar ziedend.
“Stel je niet aan, eerst de reacties afwachten, misschien maak je je druk om niets”, spreekt ze zichzelf berispend toe.
Ze haalt diep adem en stapt door het gordijn. Misschien heeft Herb gelijk en denken ze dat ze was geschrokken van de geluiden buiten de hut.
De hut is verlaten. Niemand aanwezig, buiten hoort ze nog bedrijvigheid. Ze zucht. Zichzelf meteen nog een tweede keer bijeen rapen om iemand onder ogen te komen gaat niet lukken op een lege maag, besluit ze.
Ze pakt een homp overgebleven brood met honing en gaat aan de tafel zitten. Terwijl ze zit te eten komt een handvol mannen binnen. Ze knikken naar haar bij wijze van groet. Ze knikt terug, haar rug rechtend, trachtend nog enigszins zelfverzekerd over te komen.
Er wordt niet gesproken. Eén van de mannen heeft een tas met voedsel bij zich en de mannen eten in stilte.
Ze kijkt hen één voor één aan terwijl de mannen zitten te eten. Ineens herkent ze de man die het dichtst bij haar is gaan zitten. Het is de bewaker die haar het water met het slaapmiddel heeft aangereikt.
Plots voelt ze zich allesbehalve op haar gemak in de hut. Ze mompelt iets en staat op. Om niet al te doelloos weg te lopen pakt ze de emmer. Als deze mannen niet meteen doorreizen kan ze maar beter extra water gaan halen. Het geeft haar in ieder geval een doel.
Zonder al te veel aandacht te schenken aan de mannen die de paarden buiten aan het verzorgen zijn loopt ze naar het riviertje. Opgelucht dat ze geen gegniffel hoort ontspant ze weer een beetje. Bij het water aarzelt ze toch even, in een kort ogenblik flitst even de gedachten aan het donkere waterwezen door haar hoofd. Ze besluit zich er niet door bang te laten maken en vult de emmer.
Terwijl ze terugloopt heeft ze even de kans het gezelschap gade te slaan en ziet dat één van de paarden een wapenkleed draagt en een tweede een wit kleed zonder wapen. Ze is verbaasd. De bende die haar had meegenomen had geen paarden met wapenkleden. Haar verbazing wordt nog groter als ze ziet dat Herb met een man in een lederen wapenuitrusting en donkere mantel ziet praten.
Herb ziet haar aankomen en glimlacht haar toe. “Laat mij de emmer maar naar binnen dragen, nietwaar Pip?”
De man in de uitrusting draait zich om en geschokt laat ze bijna de emmer vallen. Herb grijpt hem nog net op tijd.
Doodstil staart ze hem met open mond aan. Hij groet haar met een kleine buiging. “Goedemorgen vrouwe.”
In haar verbazing staart ze Haro aan, op dat moment kan ze niets uitbrengen dus ze knikt even terug. Ze zoekt naar woorden.
Van haar linkerkant klinkt een stem: “Een aantal mensen van uw escorte waren op de hoogte van het plan om uw veiligheid te garanderen.” Naast haar is Ruben komen staan. Zo mogelijk kijkt ze nu nog verbaasder. Ook hij is volledig in een wapenuitrusting en draagt een wapenkleed met hetzelfde teken als het kleed op het paard. “Wa..Wat..”, stamelt ze.
Hij lijkt zich weinig aan te trekken van haar verbazing. “Haro heeft een jurk meegenomen uit de koets, als u zo vriendelijk zou willen zijn deze aan te trekken..”
Hij duwt haar een gewaad in haar handen en leidt haar een paar stappen richting de deur. “We vertrekken over een kwartier.”

Hoofdstuk 3

Herb tuurt van onder gefronste wenkbrauwen tegen de zon in. Hij zucht eens diep en geeft het paard zachtjes de sporen.
Het liefst had hij nog een tijdje stilgestaan. Elke stap die het dier zet lijkt hij te voelen in elk bot en elke spier dat zijn lichaam bezit.
“Ik word te oud voor avonturen Pip”, mompelt hij. “Een man van mijn leeftijd hoort gewoon bij een warme haard te zitten.”
Hoewel hij met enige tegenzin deze rit had aangevangen, was er geen grijze haar op zijn hoofd die er over had gepeinst het verzoek van Ruben af te slaan.
Nu het ongemakkelijke zitten op het dier na een paar uren al was overgegaan in afzien, herhaalde hij zo nu en dan in zichzelf hoe belangrijk deze reis zou kunnen zijn.
De glimlach, op zijn gezicht verankert lijkt te zijn, verbreedt zich nog ietwat terwijl hij denkt aan Elena. Ze was, ondanks de vreemde manier waarop ze bij hem was gekomen, een welkome afwisseling geweest. Zijn eenvoudige en eentonige leven was ineens opgefleurd door haar komst.
Hij had haar dolgraag meer willen vertellen maar Rubens instructies waren onverbiddelijk.
“Veins onwetenheid Herb, ik wil het haar zelf kunnen uitleggen.”
“Ik had er graag met haar over gesproken Pip”, vertrouwt hij het uiltje toe.
Pip zat op haar vaste plek op zijn schouder mee te deinen op het ritme van het paard.
Zo nu en dan vliegt ze even een stukje. Herb weet dat ze hem niet uit het oog zou verliezen.
Vanaf het moment dat Ruben Elena bewusteloos had binnengebracht in zijn hut had hij geweten dat ze iets speciaals had.
Hij verwondert zich er nog steeds over hoe snel ze zich aanpaste in de situatie waarin ze was belandt. Het had haar gefrustreerd dat ze weinig invloed kon uitoefenen op de situatie, maar was kalm gebleven en had er het beste van gemaakt. Hij kon zelfs zeggen dat ze plezier hebben gehad. Vooral tijdens het oefenen met de slinger.
Ze was verbeten geweest, had het met al haar aandacht snel onder de knie willen krijgen. Ondanks haar fanaticiteit kon ze wel lachen om de pogingen die mislukten. Ze had hem verbaasd door het best snel op te pikken. Hij kon na een paar dagen oefenen zelfs zeggen dat ze op een niveau was waar hij zelf maanden over had gedaan.
Even had hij ook vermoed dat ze de gave had om aarde te beïnvloeden. Tot het moment dat de lodder was verschenen had hij deze mogelijkheid nog niet uit kunnen sluiten.
Plotseling vliegt Pip op van zijn schouder. Meteen verstijft hij in het zadel. Zoekend tuurt hij om zich heen. Iets heeft Pip gealarmeerd en zijn gedachten verstoord. Het was een subtiel geluid geweest, eigenlijk niet noemenswaardig. Maar vreemd, erg vreemd.
Nogmaals klinkt de roep van een vogel. “Verdorie!”, mompelt hij en geeft zijn paard de sporen.
Hij was zojuist een klein bosje gepasseerd en de vogel die hij net nogmaals had gehoord, kan onmogelijk in deze contreien voorkomen. Met het bestaan van drobo’s en ander gespuis neemt hij geen enkel risico. Ook heeft hij al een flinke afstand afgelegd sinds hij het Dromenwoud heeft verlaten, buigt hij zich verder over de hals van zijn rijdier terwijl de snelheid toeneemt. Nog een paar mijl over de hoofdweg, langs de velden, voor hij Kwelderpoort zal bereiken. Schuin achter zich kijkend ziet hij niets verontrustends maar laat zijn paard geen vaart minderen. Pas als hij op gehoorsafstand van de poort is houdt hij de merrie in.
“Goed zo meisje, ga nu maar rustig verder.”
Terwijl hij weer rechtop gaat zitten kreunt hij zachtjes. Dat laatste eindje in vol galop zal hij vermoedelijk nog dagen kunnen voelen. Hij kijkt nogmaals achter zich. Tot zover hij kan kijken ziet hij niets ongewoons. Het stelt hem enigszins gerust. Misschien was het toch onschuldiger dan hij even dacht.
“Ik word oud, nietwaar Pip?”, verzucht hij zacht.
“Pip?”
Hij kijkt nogmaals om zich heen, het uiltje is in geen velden of wegen te bekennen. Er vanuit gaande dat ze straks wel weer op zijn schouder zal neerstrijken rijdt hij de poort binnen.
Vlak achter de poort neemt hij meteen een straatje rechts. Het straatje met ongelijke keien geplaveid, leidt langs de muur en eindigt op een klein plein. Een jongen komt meteen op hem afgerend. “Heer, laat mij haar voor u verzorgen.” zegt hij, nog voor hij goed en wel stilstaat. “Ben jij Alfred?”, vraagt Herb hem.
“Nee heer, ik ben Sam.”
“Het spijt me jongen, ik ben op zoek naar Alfred.”
Ondertussen doet Herb een poging met zijn stijve spieren en stramme botten af te stijgen. Zodra hij naast het paard staat en een stap opzij wil doen begeven zijn benen het bijna. Zijn wankelende pas wordt onderbroken door een sterke hand die zijn elleboog ondersteund.
“Voorzichtig heer, u heeft waarschijnlijk een lange rit achter de rug.”, spreekt een diepe, warme stem.
“Euh, ja…d..dank u…”
“Alfred is de naam heer, aangenaam.”
Herb hervat zijn waardigheid enigszins en weet ondanks zijn knikkende knieën zijn rug te rechten. Hij kijkt een man van een jaar of 30 in zijn kalme, bruine ogen.
“Dank u, Alfred. Het was inderdaad een lange rit voor deze zak met rammelende botten, ik ben het niet meer gewend.”
Hij wilde er bijna “nietwaar, Pip?” achteraan zeggen, maar bemerkte dat het uiltje hem nog niet teruggevonden had.
Ondertussen streelt Alfred de neus van zijn paard en klopt haar op haar hals. Zachtjes mompelt hij sussende woordjes.
“Ik zou het op prijs stellen als u haar goed wilt verzorgen, overmorgen reizen we verder.”
Alfred knikt. “Natuurlijk heer, we zullen goed op haar passen. Wilt u nog bagage in bewaring geven?” Zijn stem klinkt zacht en vriendelijk, maar zijn ogen verraden een scherp verstand. Deze jongeman heeft meer gezien van de wereld dan de gemiddelde staljongen.
“Nee, dank u, het is niet veel.”
Ondertussen overhandigt hij een klein document met een zegel, speciaal meegebracht voor dit doel.
Het was een opdracht voor de verzorging van zijn merrie, voorzien van het koninklijke zegel.
Bij het zien van het zegel trekt er een verbaasde blik over Alfreds gezicht. Blijkbaar heeft hij Herb niet aangezien voor iemand die in opdracht van het koninkrijk reist. Het amuseert Herb, hij heeft die reactie al honderden keren gezien.
Zodra Alfred was gekomen was Sam weer naar de stallen gelopen, maar na een schril fluitje van Alfred kwam hij er weer op een drafje aan.
“Sam, help afzadelen en zet haar achterin.”
Snel kwam Herb tussenbeide. “Ik pak mijn tas wel even”, haast hij zich te zeggen.
De inhoud van zijn tas was te waardevol om door wie dan ook te worden aangeraakt.
“Waar verblijft u heer?”, informeert Alfred.
“Aan de oostzijde, in de Lachende Luit.”
“Zal Sam met u meegaan of weet u de weg?” vraagt Alfred.
Razendsnel maakt Herb een afweging. Is dit een manier om te weten te komen of hij hier bekend was? Of wilde Alfred een gezant van het koninkrijk enkel zo goed mogelijk van dienst zijn? Of wellicht een derde mogelijkheid, Alfred wil zeker weten dat zijn verblijfplaats inderdaad de Lachende Luit is.
“Ik reis licht en kan mijn tas zelf dragen. En al ben ik al jaren niet meer in Kwelderpoort geweest, ik vermoed dat de meeste gebouwen nog keurig op hun oude vertrouwde stek staan.”, antwoord hij luchtig.
Alfred glimlacht en knikt. “Gelukkig hebben de gebouwen inderdaad de neiging tot standvastigheid.”
Herb neemt afscheid en begint zijn wandeling door het kleine stadje. Hoewel het werkelijk al jaren is geleden dat hij in Kwelderpoort is geweest, herkent hij de straatjes en gebouwen meteen. Zo nu en dan kijkt hij eens om zich heen of hij ongewone activiteit ziet, maar komt zonder problemen korte tijd later aan bij de herberg.
Hij stapt binnen en laat zijn ogen nog even wennen aan het weinige late middaglicht dat door kleine ramen naar binnen kiert. De herbergier staat achter de toog met grote ronde bewegingen het houten blad af te vegen. Zodra hij zijn nieuwe gast ziet stop hij abrubt in zijn meditatieve handeling.
“Wel, wel, wel. Dat ik deze dag nog mag beleven.” Zijn gezicht splijt open en er komt een bulderende lach vanuit zijn bovengemiddeld ronde buik.
Herb lacht terug. “Oude reus, ik zou van oost naar west het koninkrijk doorkruipen alleen maar om die goedkope bocht van je nog eens te kunnen proeven voor ik sterf.”
Inmiddels is de waard vanachter zijn toog gekomen en nog steeds hardop lachend schudt hij Herb zijn hand.
“Sjonge, jonge, ik dacht dat je van de aardbodem was verdwenen.” Zijn stem was nu zachter en hij leidt Herb naar een tafeltje in het midden van de kleine herberg.
Zodra Herb aan het tafeltje gaat zitten loopt hij terug en schenkt een mok vol uit een tapvat.
“Hier jongen, het is ongelooflijk goed om jou te zien.” Hij zet de mok met zo’n klap op de tafel dat Herb bang is dat hij deze aan gruzelementen slaat.
“Blijf je lang?”, vraagt hij op zachte toon.
“Twee dagen, dan reis ik verder.”
De waard knikt. “Ok, er is veel om over te praten, eerst moeten er wat scherpe oren naar huis.” Hij maakt een knikbeweging naar een aantal tafeltjes in de hoek.
“Ik zal een kamer voor je klaar laten maken.”
“Wacht, heb je een kamer aan de voorzijde?”
De gezette waard trekt een wenkbrauw omhoog en knikt. “Ja, die heb ik voor je.”
Herb kijkt hem nog even na met een weemoedige blik. Sommige mensen had hij werkelijk gemist in de laatste twee jaar in het Dromenwoud.
Hij neemt een slok. De mede van de Lachende Luit was een legende. Hoe goed iemand ook met Hein op kon schieten, het recept was iets dat hij waarschijnlijk mee zou nemen in zijn graf. Hij had er eens op aangedrongen dat Hein hofleverancier zou moeten worden, maar daar had de beste man niets van moeten weten. “Nee hoor, straks ben ik alleen maar bezig mijn honingbijtjes uit te knijpen en mis ik al het leuks hier.” Het had Herb destijds wat vreemd geklonken. Menig herbergier zou maar wat graag de risico’s van een waard gedag willen zeggen. Misstanden, dronkemansgevechten en niet-betalende klanten waren orde van de dag, zelfs in de duurste herbergen.
Eenmaal geïnstalleerd in de kamer die Hein voor hem gereed gemaakt heeft opent Herb als eerste het raam. Hoewel hij zeker weet dat Pip niets is overkomen is het vreemd dat deze hem nog niet heeft kunnen vinden.
Niet dat Pip de weg weet in Kwelderpoort, het diertje is nog nooit eerder het bos uitgeweest, maar de band met Herb is sterk en bijzonder. Ze zou precies weten waar hij zich bevindt, daar twijfelt hij geen seconde aan.
Hij zet zijn tas naast zijn bed en barricadeert de deur met de pook van de kleine haard. Hoewel je het geen zomer meer kan noemen is de ruimte niet koud, daarbij zijn oude gewoontes lastig om van je af te schudden. Herb heeft altijd veiligheid belangrijker gevonden dan comfortabele warmte.
Met een zucht laat hij zich op het bed zakken. De warmte van de herberg en zijn volle maag hebben hem goed gedaan, maar kunnen onmogelijk de protesten in zijn spieren en botten het zwijgen opleggen.
Terwijl hij gaat liggen overdenkt hij de reis die hij nog moet maken. De rit vanuit het Dromenwoud was weliswaar ongemakkelijk, de rest van de reis zal niet gemakkelijker zijn. Laat staan dat hij de nachten kan doorbrengen in een echt bed. De komende nachten zal hij waarschijnlijk in de buitenlucht moeten doorbrengen. In gedachten gaat hij de dingen bij langs die hem te doen staan en langzaam zakt hij in een diepe slaap.

Met een luide bonk op zijn deur wordt hij gewekt. Keurig op tijd, zoals afgesproken. Beneden zal hij straks een boodschapper treffen maar eerst wil hij nog een en ander regelen in de stad. Om zich niet te verslapen had hij Hein gevraagd hem te wekken bij zonsopkomst.
Zodra Herb zijn ogen open heeft kijkt hij de kleine kamer rond, nog steeds geen Pip. Hij mompelt een beetje in zichzelf over eigenwijze gevleugelde dieren en pakt zijn spullen bij elkaar om te gaan ontbijten.
Hoewel Hein zijn best heeft gedaan op een fatsoenlijk ontbijt, pakt hij alleen een homp brood en snijdt een dikke plak kaas. Met een knik naar Hein geeft hij hem te kennen dat hij even weg is.
Gisteravond had hij nog lang gewacht tot de meeste gasten waren vertrokken, nieuwsgierig naar wat Hein hem eventueel zou kunnen vertellen. Er waren echter wat ongure types lang blijven hangen. Uiteindelijk was hij naar zijn kamer gegaan. Misschien kan hij straks nog even met Hein praten. De waard had in het verleden bewezen dat hij zijn oren goed te luister kon leggen. Menig keer was het Herb gebleken dat goede informatie van onschatbare waarde kon zijn.
Terwijl hij dit zit te overpeinzen loopt hij richting het marktplein. Vlak voordat hij deze bereikt schiet hij een steegje in. Bijna aan het eind hangt een uithangbord dat zo verweerd is dat je bijna niet meer kunt zien wat er ooit heeft gestaan. Het winkeltje lijkt in dezelfde staat te zijn als het bord. Even twijfelt Herb of het nog in gebruik is. Hij zucht opgelucht als de deur gewoon opent en een overweldigende geur van allerlei kruiden hem tegemoet komt.
Zijn ogen moeten even wennen aan het schemerige licht, maar hij ziet als snel dat het winkeltje nog niets is veranderd. Achter de toonbank is een gordijn dat de winkel gescheiden houdt van de ruimte er achter. Ooit was er een tijd dat hij zonder uitnodiging door dat gordijn zou zijn gelopen. Nu wacht hij geduldig tot iemand verschijnt.
Zijn ogen dwalen over de ontelbare potten en kasten met laatjes. Hoewel verscholen in de steeg is dit het meest beroemde winkeltje dat kruiden en geneesmiddelen verkoopt. Bij hen die gebruik maken van meer dan de huis-, tuin- en keukenkruiden een soort legende, bekend door het hele koninkrijk. De cliëntèle is ongetwijfeld niet allemaal van onberispelijk gedrag, maar dit winkeltje heeft zich al die jaren staande weten te houden zonder geassocieerd te worden met duistere zaakjes. Herb komt niet voor zeldzame ingrediënten of kruiden, al ziet hij een aantal potjes waarvan hij iets zou willen aanschaffen. Hij is er nu toch. Terwijl hij bedenkt welke zaken hem goed van pas zouden kunnen komen komt er beweging in het gordijn.
“Wel alle….”
Hij draait zich om naar de sprakeloze figuur die nu achter de toonbank staat. Ze kijkt hem met wijd opengesperde bruine ogen aan.
“Dag Mathilde.”, spreekt Herb zacht.
“Ben jij het echt?”, vraagt ze verbaasd. “Ik…ik dacht dat je dood was…”
Even weet Herb niet wat hij moet zeggen. Hij had verwacht dat ze verbaasd zou zijn, niet dat ze sprakeloos zou zijn. Nog nooit heeft hij haar sprakeloos gezien.
“Ja, ik ben het echt. En geen zorgen, ik ben geen geest”, grinnikt hij. Hij hoopt dat een grapje haar een beetje van de schrik kan laten bekomen.
Het lijkt te werken, achter elkaar vuurt ze vragen op hem af. “Waar ben je geweest? Hoe is het met je? Ben je al lang in de stad? Waarom heb je nooit iets van je laten horen?”
“Hahaha, zo ken ik je weer! Meer vragen dan ik kan beantwoorden!”
Met een warme blik kijkt ze hem aan. “Laat maar, de meeste antwoorden weet ik al. Ik heb altijd geweten dat je nog leefde, dat er een goede reden was dat je plotseling in de lucht leek opgelost.”
Hij beantwoord haar blik met een even warme glimlach. “Ja, helaas kan ik je er niet alles van zeggen. Een aantal zaken wel, en ik zou graag van jou ook een en ander willen weten. Kunnen we even praten?”
Ze opent het gordijn om hem door te laten. “Eventjes wel, ik verwacht over een uur mijn levering voor vandaag pas.”

Als zich later weer naar de Lachende Luit haast, moppert hij op zichzelf. Hij is amper op tijd voor zijn afspraak met de boodschapper. De informatie die Mathilde hem zojuist had gegeven, was echter de moeite waard geweest.
Vlak voordat hij de deur van de herberg binnenstapt voelt hij een vertrouwd gewicht op zijn schouder landen. “Dag meisje, dat duurde lang.” mompelt hij. Voor het eerst sinds hij Kwelderpoort is binnengereden voelt hij zich weer compleet.

Elena gaat een beetje verzitten in haar zadel. Blijkbaar is ze paardrijden al een beetje ontwent sinds ze van huis is vertrokken. Gelukkig is het tempo dat de groep aanhoudt al iets verlaagd. Sinds ze het Dromenwoud hebben verlaten rijden ze minder hard door. Zo nu en dan stoppen ze om te wachten tot de verkenner die vooruit is gestuurd terugkeert. Gelukkig heeft ze nog niets bijzonders kunnen ontdekken aan de omgeving. Als de gespannen sfeer niet tussen de mannen had gehangen zou het een heel normale rit lijken.
Terwijl ze zich dit bedenkt trekt een spottend lachje om haar mond. Er is helemaal niets normaals aan dit ritje. Haar hele leven had ze paard gereden, maar ze had altijd geweten WAAR ze was en met WIE ze was. Nu weet ze zelfs niet bij benadering waar ze zich bevindt. Aan de hand van de zon kan ze opmaken in welke richting ze rijden, maar aangezien ze geen benul heeft waar Herbs hut zich bevindt in het Dromenwoud heeft ze geen idee van hun positie.
Sinds het vertrek heeft ze zich steeds weer opnieuw bijna het puntje van haar tong afgebeten om te voorkomen dat ze er naar zou vragen. Telkens als het innerlijke stemmetje haar influistert dat ze het recht heeft te weten waar ze is en waar ze naar toe gaan, spant ze zich tot het uiterste in om er niet aan toe te geven. Het heeft niets te maken met vertrouwen, alhoewel ze er zonder meer van overtuigd is dat hij het goed met haar voor heeft. Ergens weet ze zeker dat hij haar het antwoord niet zal geven. En ze gunt het hem niet haar vraag onbeantwoord te laten terwijl hij die vervloekte pretlichtjes in zijn ogen heeft.
Om dezelfde reden klaagt ze ook niet over het tempo van de rit, haar nare zadel, haar vervelende jurk die in de weg zit en de dolk die ongemakkelijk om haar bovenbeen bevestigd zit.
Herb had haar vlak voor vertrek de dolk toegestopt. “Ook jongedames moeten zich kunnen verdedigen onderweg, nietwaar Pip? “ had hij gezegd.
Het had haar verontrust, Herb vertrouwde Ruben blindelings, daar was ze van overtuigd. Tegen wie zou ze zich moeten verdedigen? Ze zou met een indrukwekkend aantal doorgewinterde vechtersbazen reizen. Gek genoeg was dat een heel geruststellende gedachte.
Toch had ze zelf ook al het idee gehad dat ze overal op voorbereid zou moeten zijn. De slinger waarmee ze had geoefend had met Herb had ze om haar arm gewikkeld. Het leek een beetje op een armbeschermer zoals de mannen van Ruben droegen. Een aantal goede ronde stenen droeg ze in een buideltje dat in de vouwen van haar jurk bijna onzichtbaar was.
Bij het afscheid van Herb wilde ze hem vragen of hij wist waar ze naar toe zou reizen en waarom de mannen wapenkleden droegen. Er was geen gelegenheid voor geweest.
De paarden voor haar stoppen. Elena schrikt op uit haar gedachten en houdt haar paard ook in.
Haro, die achter haar had gereden, zet zijn paard aan en rijdt naar de kop van de groep. De overige mannen om haar heen lijken niet verontrust. Een pauze, gelukkig Ze heeft dorst. Vooraan in de groep hoort ze wat commando’s over en weer en een aantal rijders wisselt van positie.
Ze ziet Ruben aankomen, hij knikt naar haar. “Vrouwe, als u zo vriendelijk zou willen zijn naast me te rijden?”
Verbaasd, maar wederom niet van plan dit te laten merken, rijdt ze naast hem tot bijna voorin de groep. Stapvoets gaat de colonne verder.
Nog éénmaal komt er een verkenner terug met de melding: “Geen bijzonderheden, heer.”, om met een hoofdknik verder achterin de stoet aan te sluiten. Daarna maakt het pad een bocht om een heuvel. Elena is sprakeloos als ze ziet wat de bestemming van de reis is.
Ze naderen het kasteel. Het kasteel dat haar eindbestemming zou zijn toen ze haar vertrouwde huis achterliet en in het rijtuig stapte. De vragen die ze de hele rit met moeite in bedwang heeft kunnen houden razen door haar hoofd.
Voor ze in staat is haar innerlijke onrust voldoende tot bedaren te brengen om een vraag te stellen zijn ze al gearriveerd bij de poort. Het is niet de poort van de Heirweg. Deze poort lijkt via een veel kortere route op de binnenplaats van het kasteel uit te komen. Ze hoeven maar één pleintje over te steken. Wel lijken de mensen die ze passeren erg enthousiast over hun komst. Er wordt gezwaaid, gewezen en geroepen. Elena is te beduusd om goed mee te krijgen wat er allemaal gebeurt. De verschillende indrukken, gebouwen en mensen smelten samen tot een waas. Op de binnenplaats van het kasteel houden ze halt voor een grote trap met enorme eikenhouten deuren. Het dringt niet goed tot haar door, ze lijkt niet in staat nog meer informatie tot zich te nemen. Ruben staat ineens naast haar en biedt haar een hand bij het afstijgen.
“Welkom thuis, vrouwe.”, zegt hij zacht. Ze kijkt in zijn ogen en ineens dringt de waarheid tot haar door. “Jij……jij bent Alben Valckenhoof”, hakkelt ze. Haar voet blijft onhandig in haar jurk en de stijgbeugel van het zadel zitten. Haar paard doet ook juist op dat moment een stap opzij waardoor ze ineens uit het zadel rolt. Ruben vangt haar ietwat onhandig op. Ze is zo dichtbij dat ze elk stoppeltje op zijn kin kan zien. Ze ruikt zijn geur ondanks de lucht van mottenballen die in zijn wapenkleed hangt. Ruben houdt haar stevig vast en fluistert in haar oor: “Alben Ruben Eduard Valckenhoof. Het spijt me, ik had het eerder moeten vertellen, maar ik wist niet hoe.” Zijn stem klinkt gekweld.
“Zet me neer!”, sist Elena, toegevend aan haar plots opkomende woede. Ze wil zo snel mogelijk bij hem uit de buurt. Zodra hij haar iets loslaat en ze haar voeten op de grond voelt komen haalt ze diep adem om hem eens goed de les te lezen. Voordat ze de kans krijgt één woord te zeggen hoort ze een muzikale vrouwenstem. “Alben, wat ben ik blij dat je terug bent. En dit moet de beeldschone Elena zijn.” Een vrouw met blonde opgestoken haren, gehuld in een prachtige eenvoudige, donkerrode jurk komt hen enthousiast toegesneld. Ze heeft haar armen naar hen uitgestrekt in een verwelkomend gebaar. “Wat een plaatje! Welkom Elena, wat fijn dat je er bent.” Haar welkom is zo ontwapenend en warm dat Elena’s opvoeding zich laat gelden. In een seconde tracht ze zich te herstellen en beantwoordt de vrouw met een glimlach. “Dank u Vrouwe, ik ben blij hier te mogen zijn.” Even schiet er door haar heen: dit is een welkom waar ze op gehoopt had, vóór haar ontvoering. De woorden kwamen uit beleefdheid, maar waren niet erg oprecht, daarvoor is er inmiddels teveel voorgevallen. Het liefst draait ze zich om om naar huis te rijden en nooit meer achterom te kijken.
De vrouw neemt haar bij haar arm en troont haar mee de trap op. “Je zult wel toe zijn aan een drankje, nietwaar?”, babbelt ze. “Ach, heb ik me al fatsoenlijk voorgesteld? Vrouwe Victoria Amalia Valckenhoof-Eidelberg, maar zeg maar Vicky.” Ze geeft Elena een knipoog. Ze heeft haar spraakvermogen nog niet helemaal terug en weet nog steeds niet wat ze moet zeggen nu ze arm in arm staat met de voormalige Koningin, Albens stiefmoeder. “Aa.. aangenaam Vrouwe”, hakkelt ze. “Vicky”, verbeterd de vrouw haar. “Aangenaam, Vrouwe Vicky”, herstelt Elena zich.
Vicky blijkt een doortastende vrouw, ze leidt zonder pardon de aarzelende Elena de trap op en de grote deuren door.
Terwijl ze een grote hal binnenlopen praat ze verder. Elena krijgt bijna niet de kans om rond te kijken. De hal is vrij sober, maar perfect afgewerkt met pleisterwerk. “Je spullen uit het rijtuig zijn allemaal reeds in je kamer ondergebracht, evenals de koffers die zijn nagezonden. De koffers zul je zelf moeten openen, ik zal een kamermeisje vragen om je te helpen. Ik dacht dat je liever je eigen spullen zou uitpakken in plaats…”
Ze stopt in haar zin en kijkt Elena verbaasd aan. Deze knijpt haar hand zo stijf om de arm van de Vrouwe dat deze stopt met praten. “Mijn vader, weet hij dat ik in orde ben?”, vraagt ze naar adem happend. “Heeft iemand hem gewaarschuwd dat de koets is overvallen, maar dat ik veilig ben?”
Voordat Vrouwe Vicky de kans krijgt antwoord te geven voelt Elena iemand achter haar staan die haar elleboog in de hand neemt.
“Je vader weet dat je in orde bent”, zegt Ruben met een zachte stem.
Blijkbaar heeft hij woordenloos Vrouwe Vicky een seintje gegeven, deze trekt zich met een knikje terug. “Ik zie jullie straks bij het avondmaal.”
Aarzelend knikt Elena even terug. Dan draait ze zich om naar Ruben. Haar ogen staan vol tranen.
Zijn kin verstrakt en hij knijpt zijn lippen strak samen.
Ze wil hem van alles vragen, waarom ze in deze situatie zit, waarom het haar moet overkomen, waarom hij niet heeft gezegd wie hij was, waarom alle geheimzinnigheid en waarom hij zojuist zijn stiefmoeder wegstuurde.
Ze komt niet verder dan een fluisterend: “Waarom?”
Ondanks dat hij de oorzaak is van vrijwel alle onduidelijkheden en ze kwaad op hem is, zou ze het liefst even op zijn schouder uithuilen, alle frustraties en onzekerheden even laten gaan.
Ruben doet echter een stapje achteruit en kijkt haar afstandelijk aan.
“Kom, we moeten praten.”, zegt hij. Met een armgebaar wijst hij naar een deur.
Elena zucht diep. Zijn afstandelijkheid maakt dat ook zij met moeite haar kalmte weet te bewaren. De mengelmoes van onmacht, vertwijfeling, angst, woede en vermoeidheid laat zich niet gemakkelijk bedwingen.
Hij leidt haar een kamer binnen met een enorme tafel. Verderop staat een kleinere schrijftafel met een aantal stoelen. De kamer heeft hoge smalle ramen met glas-in-lood. Eén kant van de kamer is volledig bedekt door een boekenkast. Van de houten vloer tot het hoge plafond volgestopt met boeken. Onder ander omstandigheden zou ze daar met open mond voor hebben gestaan, zoveel boeken had ze in haar leven niet bij elkaar gezien.
Ruben loopt naar de schrijftafel. Aan de zijkant staat nog een klein tafeltje met daarop een karaf en tinnen bekers. Zonder iets te zeggen schenkt hij iets in twee bekers. Elena staat wat onzeker te wachten. Moet ze gaan zitten?
Met een zichtbaar diepe zucht draait hij zich om en biedt het drinken aan. Met een armgebaar wijst hij haar naar een stoel.
Hij neemt een slok en begint te spreken.
“Vrouwe Elena, ik kan geen woorden vinden die tot uitdrukking brengen hoezeer het me spijt dat dit alles op deze manier is verlopen.”
Hij kijkt haar in haar ogen en ze ziet dat hij het meent.
“Het meest van alles spijt het me dat ik zo lang het onthullen van mijn werkelijke naam heb uitgesteld.”
Elena wil hem onderbreken door hem te vragen waarom hij niet meteen had gezegd wie hij was, maar hij steekt zijn hand op en gaat verder.
“Eerlijkheid heb ik gewoonlijk hoog in het vaandel”
Voordat hij nog een woord verder kan spreken valt ze hem in de reden.
“Ik wil naar huis.”
Hij kijkt haar met stomme verbazing aan, ze kijkt hem met een kalme blik aan.
“Ik heb er genoeg van, ik wil naar huis”, zegt ze nogmaals. De gedachten aan die o zo vertrouwde plek laat haar stem trillen.
De bereidheid om zijn excuses en uitleg aan te horen is verdwenen.
Ze heft haar kin nog ietwat en kijkt hem diep in zijn ogen. Het kan haar even helemaal niets meer schelen. Zelfs na de overval en haar verblijf bij Herb heeft ze nagedacht over haar aankomst op het kasteel, de ontmoeting met haar verloofde en haar nieuw te vervullen rol. Welk scenario ze zich ook had voorgesteld, nu ze hier is, wil ze zo snel mogelijk vertrekken.
Nu blijkt dat de man die ze voor een zelfverzekerde bandiet had aangezien in werkelijheid een prins was. Nog erger háár prins, nee, dat was teveel van het goede. Welk scenario ze zich ook had voorgesteld, dat had ze niet kunnen verzinnen. Nu ze hier is, wil ze zo snel mogelijk vertrekken.
Ruben is duidelijk van zijn stuk gebracht en haalt een hand door zijn haren.
“Weggaan is onmogelijk, maar ik zal je kamermeisje roepen, dan kun je even tot jezelf komen.”
Hij beent naar de deur, alsof ze er had staan wachten komt binnen een oogwenk een donkerharig meisje binnen.
“Breng de Vrouwe naar haar vertrekken”, zegt hij haar. Het meisje maakt een kleine knix en loopt naar Elena.
“Vrouwe.”, zegt ze, ditmaal met een diepere révérance.
Even overweegt ze hem tegen te spreken, vast te houden aan haar wens. Ze besluit dat ze te vermoeid is om een weerwoord te geven en volgt het meisje. Het lijkt alsof ze een heel gangenstelsel moet volgen voor ze bij de juiste deur zijn beland.
“Uw kamer, Vrouwe”, zegt het meisje zacht. Ze blijft in de deuropening staan. Elena knikt naar haar terwijl ze naar binnen loopt. Het is een prachtige lichte kamer. Het meisje trekt de deur achter haar dicht. Elena merkt het niet. Ze staart een beetje in het niets en loopt als verdoofd naar een groot hemelbed. Daar laat ze zich op neerstorten en begint met lange halen te snikken.

Hoofdstuk 4

“Probeer het nu nog één keer, concentreer je goed.”
Elena zucht diep. “Ik kan het niet, ik word hier doodmoe van.”
Ze is nu al drie maanden aan het oefenen en nog steeds lukt het haar niet om het water in de ondiepe schaal voor haar zelfs maar te laten rimpelen.
Megan, priesteres van de Orde van de Rode Kamer, kijkt haar nog eens streng aan. Er vormen zich hierdoor wat rimpels in haar gezicht, dat gewoonlijk zo glad is als een jonge maagd. De vrouw moet toch zeker al tegen de zestig lopen, maar op één of andere manier blijft ze er jeugdig uitzien. Haar statige beheerste houding, kalme blik en het zelfvertrouwen dat ze uitstraalt verraadt haar leeftijd beter dan haar rimpelloze huid. Elena vermoedt dat de uitoefening van haar beroep hier grotendeels verantwoordelijk voor is. Niemand ziet er zo onaangetast door de tijd uit.
Hun schijnbare leeftijdsloosheid is één van de vele mysterieuze eigenschappen van de leden van de Orde. Totdat Megan ten tonele was verschenen had Elena gedacht dat de Orde alleen in verhalen uit een ver verleden voor kwam. Ze was met stomheid geslagen toen deze vrouw voor haar was verschenen. Gekleed in een, op bijzondere wijze gedrapeerde, lap donkerrode stof. Haar zilverwitte haren in een enorm lange vlecht tot halverwege haar bovenbeen en op haar voorhoofd een kleine donkerrode ster getattoeëerd. Hoewel ze voor Elena had gebogen was haar houding zo koninklijk dat Elena zich moest beheersen om niet ook diep te buigen. Het protocol staat dat niet toe, maar haar hoofdknik was gevuld geweest met diep respect.
“Vooruit, probeer je ademhaling te controleren en richt al je aandacht op het water.”
Elena zucht nogmaals diep en sluit even haar ogen. Ze probeert alleen aan haar ademhaling te denken, maar haar gedachten lijken alle kanten op te springen. Ze wil dolgraag even een stukje door de tuin wandelen, even ophouden met concentreren en turen in de schaal met water. Het lukt toch enigszins haar ademhaling te vertragen en ze opent haar ogen om in de schaal te kijken.
Heel even denkt ze weer aan de schaal met water op de tafel van Herb. Ze mist de oude man.
Mopperend op haar wegschietende gedachten tuurt ze heel stevig in de kom. Niets…helemaal niets.
“Het spijt me Zuster, ik kan me werkelijk niet meer concentreren.”
Tot haar grote opluchting geeft Zuster Megan toe: “We zullen het morgen opnieuw proberen, oefen vanmiddag en vanavond nog wel een keer je ademhalingstechnieken. Zonder de juiste mate van concentratie komen we er niet.”
“Ja Zuster”, antwoordt Elena. Het was niet dat ze haar best niet wilde doen. Hoe ze zich ook tracht te concentreren, haar gedachten blijven ongrijpbaar als zonnestralen.
Ze staat moeizaam op van het kussentje op de grond waarop ze zit als ze haar wateroefeningen doet. Als dank voor de les groet ze de Zuster met een handgebaar. Ze buigt haar hoofd licht en brengt de vingertoppen van beide handen net boven haar wenkbrauwen. Daarna laat ze haar handen zakken tot voor haar borst en vormt een soort kommetje met haar vingers. De Zuster beantwoordt haar gebaar ook met het aantikken van haar voorhoofd en houdt dan haar handen boven het kommetje dat Elena van haar handen heeft gemaakt. “Ga in vrede”, mompelt ze en geeft Elena een hoofdknikje. Ze knikt terug en verlaat het rustige hoekje van de kasteeltuin waar ze dagelijks haar oefeningen met Zuster Megan houdt.
Het ommetje door de tuin is haar blijkbaar niet gegund, ze zet nog maar een paar passen op het pad als ze achter zich hoort roepen: “Vrouwe, vrouwe, wacht!”
“Menno, hoe vaak moet ik je nog zeggen dat het niet beleefd is om de hele tuin door te roepen. Als je me nodig bent moet je wachten tot je me iets verder genaderd bent.”, berispt ze de jongen die nu hijgend voor haar staat. “En hollen staat ook niet bepaald fraai.”, voegt ze er aan toe.
“Het spijt me Vrouwe, maar ik wilde het u zo snel mogelijk laten weten.”
Elena moet een beetje lachen. Menno probeert ondanks het standje dat hij krijgt en het stukje rennen, waar hij overduidelijk niet voor is gebouwd, keurig voor haar te staan zonder te hijgen met zijn mond open.
“Wat is er zo belangrijk dat jij me hier achterna moet hollen?”, vraagt ze hem, nieuwsgierig geworden.
“De Eerste Adviseur is gearriveerd, Vrouwe”, brengt hij op serieuse toon uit.
“De Eerste Adviseur? En wie is dat wel niet?”, vraagt ze verbaasd. Dat is een titel waar ze nog niet eerder van heeft gehoord. Er zijn meerdere adviseurs aanwezig op het kasteel, maar naar haar weten is er niet eentje die nog ontbreekt.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s